Intern verslag 114

‘Magnus ortus’ het gebied De Mortel : Mortelproject III


Inleiding

Het gebied de Mortel op het kadastraal minuutplan uit 1831. Boven de aanduiding Mortel stond het huis De Oude Munt; rechtsboven daarvan - aan de andere kant van de Dieze - bevindt zich de vroegere synagoge.Waarschijnlijk stond op een van deze plaatsen het woonhuis van de bezitter van de grote tuin.

Het onderzoek naar het gebied van de Mortel is in eerste instantie uitgevoerd vanuit de bebouwing aan de rand. Vanaf het noordoosten tegen de wijzers van de klok in gaat het hierbij om de Waterstraat, de Keizerstraat, de Sint-Jorisstraat, de Oude Huls, de Weversplaats, de Beurdsestraat en de Verwerstraat. Aan de zijde naar het stadscentrum toe, de Waterstraat en de Keizerstraat, bleken in de Late Middeleeuwen de belangrijkste panden te hebben gestaan. Bovendien werden hier relaties met het achterliggende gebied de Mortel aanwezig te zijn. Een deel van deze bebouwing is behandeld door A.F.O. van Sasse van Ysselt in zijn boek over de voorname huizen en gebouwen van ’s-
Hertogen­bosch.1 Gezien het ontbreken van een goede index op de transportakten van na 1500, vult het werk van Van Sasse van Ysselt een aantal lacunes.
Een probleem voor de middeleeuwse gegevens vormt het feit dat de Waterstraat en de Keizerstraat geen vaste benaming hadden. De akten spreken bijvoorbeeld van ‘de straat strekkende van de brug geheten Loefsbrugge naar de straat geheten de Huls’. Met deze laatste straat is de Sint-Jorisstraat bedoeld. De Loefsbrug ligt zoals bekend in de Waterstraat bij de Verwerstraat. Gezien de slordigheid van wijlen M. Spierings, die de oudste schepenakten heeft geïndiceerd, mag worden aangenomen nogal wat fiches op verkeerde plaatsen terechtgekomen zijn, zodat de bezitsgeschiedenis voor de oudste periode tamelijk lacuneus is.

Uit het onderzoek tot nu toe is komen vast te staan dat de veertiende-eeuwse bezitters van het gebied de Mortel gevestigd waren bij de straat De Mortel aan de noordzijde, dus bij de overgang tussen de Keizerstraat en de Waterstraat. Hier lagen aan het eind van de veertiende eeuw bezittingen van Aart Aartsz. van Beek, die zich ook uitstrekten over het grootste deel van de Mortel. In de loop van de vijftiende eeuw zijn deze bezittingen versnipperd geraakt door erfdeling en verkoop. Hieronder volgt een overzicht van de nakomelingen/erfgenamen van Aart Aartsz. van Beek, die alleen dochters naliet. Zoals we zullen zien, wist en zijn schoonzoon Ingram Robbrechtsz. van Deurne, gehuwd met zijn dochter Heilwig, en daarna Ingrams zoon Aart, goudsmid van beroep, de meeste bezittingen in de Mortel te verwerven.

Fragmentgenealogie Van Beek
Aart Aartsz. van Beek; hieruit:
-Heilwig Aartsdr. van Beek, tr. Ingram Robbrechtsz. van Deurne; hieruit:
-Aart Ingrams., goudsmid, tr. Mechteld; hieruit:
-Robbrecht
-Mechteld, tr. Cornelis Aart Coelborner
-Heilwig, tr. Jacob van Brede
-Zeinse Ingramsdr., tr. (1) Hendrik Schelleke; hieruit:
-Peter en Luitgard
tr. (2) Jan Watermaal; hieruit:
-Geertruid, tr. Jan Berendsz. Overmeer; hieruit:
-Berend, Ingram en Jan
-Liesbet Aartsdr. van Beek, tr. Jacob Goes; hieruit:
-Luitgard, Jacob, Aart, Hendrik
-Luitgard Aartsdr. van Beek, tr. Jan Lodewijks van Kraandonk
-Katelijn Aartsdr. van Beek, tr. Peter Roelofsz. Polslouwers; hieruit:
-Roelofke, tr. Tielman Tielman Jordensz.
-Beatrijs, tr. Godschalk Becker; hieruit:
-Katelijn
-Agnes
-Heilwig, tr. Tielman Artsz.; hieruit:
-Zweneld
Hoe Aart Aartsz. van Beek aan zijn bezit hier gekomen is, kan worden afgeleid uit enkele schepenakten van veel later datum. Uit een akte van 11 mei 1475 blijkt dat Herman Winriksz. van Oyen als man van Margriet Jansdochter van Hellu een huis en erf in de straat van de Koningsbrug naar de Loefsbrug tussen erf van Jan van Gestel en een openbaar water met alle erven die achter dit huis en erf gelegen waren, De Mortel geheten, zoals die omgracht waren, met de grachten, hadden verkocht aan Aart van Beek, natuurlijke zoon van wijlen Aart van Beek, priester. Dit goed had toebehoord aan Emond Rover, grootvader van genoemde Margriet, en later aan Jan van Hellu.2
1.A.F.O. van Sasse van Ysselt, De voorname huizen en gebouwen van ’s-Hertogenbosch, 3 delen (’s-Hertogenbosch 1910-1914).
2.R. 1244, f. 203v.: Notum sit universis quod cum Hermannus filius quondam Wijnrici de Oyen, maritus et tutor
Emond de Rover, de oudst bekende bezitter van het grootste deel van de Mortel, kennen we als schepen van de stad ’s-Hertogenbosch. Hij was dit voor de eerste keer in 1314/15.1 Ook zijn vader Arnoud was - in het laatste kwart van de dertiende en het eerste kwart van de veertiende eeuw - schepen geweest.2 Een dochter van hem trouwde met Jan van Hellu, die in 1353/54 voor het eerst als schepen wordt vermeld.3 Jans dochter Margriet trouwde met Herman Winriksz. van Oyen, die geen schepenfunctie vervulde. Zijn vader Winrik was in 1329 en 1330 hoogschout van ’s-Hertogenbosch.4 In een akte van 1 augustus 1359 traden Winrik van Oyen en zijn zoon Herman op als bezitters van een erf van Herman van Oss, ridder. Het ging hierbij om een deel van het Hof van Brabant in de Hinthamerstraat.5
Dat Jan van Hellu al een deel van de Mortel in zijn bezit had, kan worden afgeleid uit twee schepenakten uit 1362, waarin sprake is van een cijns uit een huis en erf in de Verwerstraat, dat gelegen was tussen erven van Wouter van Cuijk en van de begarden en dat zich uitstrekte van de Dieze tot aan erf van Jan van Hellu respectievelijk de Mortel. In een van de akten, van 31 augustus 1362, wordt Jan als overleden aangeduid;6 in oktober 1361 was hij nog tot schepen benoemd7 en op 6 december van dat jaar was hij nog in leven.8

Tussen de Lombardsbrug en de straat De Mortel (Keizerstraat 2)

Westelijk deel
Tussen de Lombardsbrug en de straat De Mortel lagen in de Late Middeleeuwen twee percelen, die later zijn samengevoegd (Keizerstraat 2). Het westelijke van de twee werd in 1420 omschreven als een huisplaats met haar bebouwing bij de Koningsbrug tussen erf van Hendrik Zweerdveger en Ingram van Deurne aan de ene zijde en het openbare water aan de andere zijde. Deze huisplaats was bij een erfdeling aan Beatrijs weduwe van Godschalk Becker ten deel gevallen. Het zal hierbij om een deling met haar zuster Roelofke als dochters van Katelijn dochter van Aart Aartsz. van Beek en Peter Roelofsz. Polslouwer gegaan zijn.9 Op 30 januari van genoemd jaar gaven Beatrijs en haar dochters Katelijn en Agnes het goed ten erfelijke cijns aan Jan Mutsart. Zij beloofden de nog minderjarige Heilwig afstand te laten doen zodra zij meerderjarig waren geworden. Bij de oorkonde
 legitimus Margarete sue uxoris, filie quondam Iohannis de Hellu, domum et aream ad se spectantem, sitam in Buscoducis in vico tendente a quodam ponte dicto communiter Conincsbrugge versus pontem dictum communiter Loefs brugge inter hereditatem quondam Iohannis de Gestel ex uno et inter quandam communem aquam ibidem currentem ex alio, cum omnibus et singulis hereditatibus retro dictam domum et aream situatis, dictis communiter die Mortel, ad dictam domum et aream spectantes, prout huiusmodi hereditates die Mortel vocatas ibidem sunt situate et circumfossate, simul cum fossatis circum circa dictas hereditates die Mortel communiter vocatas situatis et ad easdem hereditates die Mortel vocatas de iure spectantibus, in omni ea quantitate qua dicta domus et area ac dicte hereditates die Mortel communiter vocatas cum dictis suis fossatis quondam ad Emondum Rover, avum quondam dicte Margarete, et postea ad dictum quondam Iohannis de Hellu pertinere consueverant, hereditarie vendidissent Arnoldo de Beke filio naturali quondam domini Arnoldi de Beke, presbiteri ---.
1.Jacobs, Justitie en politie, 250.
2.Ald., 245-247.
3.Ald., 258.
4.Ald., 238.
5.Zie vorige noot.
6.’s-Hertogenbosch, Archief Sint-Jan, nr. 78: domus et aree site in Buschoducis in vico dicto Colperstraet inter hereditatem baggardorum ex uno latere et inter hereditatem domini Woltheri de Kuyc, presbiteri, ex alio latere, tendentis ab aqua ibidem currente dicta communiter die Diese ad hereditatem quondam Iohannis de Hellu. Blijkens een schepenakte van 18 juli 1362 (Sint-Jan, nr. 77) strekte dit erf zich uit tot aan de Mortel: domo et orto Symonis Fullonis, sitis in Buschoducis retro vicum dictum Colperstraet ultra aquam ibidem currentem, inter hereditatem domini Woltheri de Kuyc, presbiteri, ex uno latere et inter hereditatem fratrum tercii ordinis dictorum communiter bagghaerde ex alio latere, tendentibus ibidem a Dysa ibidem fluente retrorsum ad quamdam hereditatem dictam communiter die Mortel.
7.Jacobs, Justitie en politie, 258.
8.RANB, Charters van Brabant, nr. 3 (10 april 1364 met onder meer ingevoegde schepenakten van 1 augustus 1359 en 6 december 1361).
9.Zie de fragmentgenealogie aan het begin van dit rapport.
staat aangetekend dat de akten overgegeven moesten worden aan Aart Vos van Uden.1 Deze blijkt al korte tijd later in het bezit van het complex te zijn. In 1427 wordt hij als belender van het oostelijk deel van het latere Keizerstraat 2 genoemd.2
Op 26 november 1432 droeg de weduwe van Aart Vos, Gente, haar vruchtgebruik in het voorhuis en de tuin over aan Willem Jansz. Mughovel. Dit deel van het complex werd gesitueerd bij de Lombardsbrug tussen het openbare water en erf van Mathijs van Teeffelen brouwer, met een weg ertussen genomen van het huis en erf. Deze weg strekte zich uit van de openbare straat tot aan de dakdrup van het achter het huis gelegen achterhuis.3 Ruim een maand later, op 29 december 1432, droeg Jan van den Doren, zoon van wijlen Jan van Doren wever, al zijn recht op huis, erf en tuin tussen erf van Mathijs van Teeffelen en het openbare water, strekkend van de openbare straat tot erf van Ingram van Deurne over aan Hendrik Vos, zoon van wijlen Aart Vos van Uden.4
Al met al is de ontwikkeling niet erg helder. Waarschijnlijk ontbreken er in de index akten, die tot nu toe niet getraceerd konden worden. Volgens een schepenakte van 21 augustus 1462 had Aart Vos één helft van de genoemde huisplaats verkregen van Jan Meusz. de Ridder en de andere helft van Dirk Zuelic (?) van Rode, Aart Hendriksz. Mutsart en Jan de Waal, natuurlijke zoon van Gerit de Waal Lambrechtsz. Aart Vos’ kleinzoon Gerit Hendriksz. Vos droeg het complex op genoemde datum over ten behoeve van Liesbet weduwe van Jan Petersz. van Orthen.5 Zij en haar kinderen transporteerden het op 19 maart 1464 aan Gerit Gerit Batenz.6 Gerit Baten op zijn beurt droeg het
1.R. 1191, f. 445v. nw.: Beatrix relicta quondam Godescalci Becker, Katherina et Agnes filie dicte Beatricis et quondam Godescalci, cum tutore, quoddam domistadium cum suis edificiis, situm in Buscoducis iuxta pontem dictum Coninxbrugge inter hereditatem Henrici Zweertvegher ac Yngrami de Doerne ex uno et inter communem aquam ibidem fluentem ex alio, tendens a communi platea ad hereditatem dicti Yngrami, in ea quantitate qua dictum domistadium ibidem situm et palatum est et dicte Beatrici mediante quadam divisione inter ipsam et suos in hoc coheredes cessit in partem, ut dicebant, dederunt ad hereditarium censum Iohanni Mutsart, ab eodem hereditarie possidendum pro hereditario censu quatuor librarum monete, dando dicte Beatrici ab altero hereditarie mediatim nativitatis Iohannis et mediatim nativitatis Domini ex premissis ---. Testes, datum supra (= penultima ianuarii).
 
Littera Iohannis tradatur Arnoldo Vos de Uden.
 Volgt gelofte om de nog minderjarige Heylwigem afstand te laten doen zodra zij meerderjarig is geworden.
Tradatur Arnoldo Vos de Uden.

2.R. 1196, f. 26.
3.R. 1203, f. 16 nw.: Genta relicta quondam Arnoldi Vos textoris cum tutore usufructum competentem in domo anteriori et orto dicti quondam Arnoldi Vos, sitis in Buscoducis iuxta pontem dictum der Lombartbrugge inter communem aquam ibidem fluentem ex uno et inter hereditatem Mathye van Tephelen braxatoris, quadam via interiacente, sumpta de dicta domo et area! ex alio, tendente a communi vico retrorsum ad stillicidium posterioris domus dicte quondam Arnoldi Vos ibidem retro dictam domum et aream consistentem, in ea quantitate qua dictus domus et ortus ibidem siti sunt et limitate, dempta tamen de premissis via supradicta, ut dicebat, legitime supportavit Willelmo Mughovel, filio quondam Iohannis Mughovel ---, excepto hereditario censu quatuor librarum monete exinde e iure solvendo ---. Datum xxvi novembris.
4.R. 1203, f. 26 nw.: Iohannes vanden Doren, filius quondam Iohannis vanden Doren textoris, totam partem et omne ius ad ipsum ut dicebat spectantem in domo, area et orto, sitis in Buscoducis apud pontem Lombartbrugge inter hereditatem Mathie de Tephelen ex uno et inter communem aquam ex alio, tendente a communi platea ad hereditatem Ygrami de Doernen, ut dicebat, hereditarie supportavit Henrico Vos, filio quondam Arnoldi Vos de Uden ---. Testes, datum supra (= xxix decembris).
5.R. 1232, f. 175: Gerardus Vos, filius quondam Henrici, filii quondam Arnoldi Vos de Uden, filii quondam Gerardi Vos, quoddam domistadium cum suis edificiis, situm in Buscoducis iuxta pontem dictum Conincx brugge inter hereditatem Henrici Sweertvegher et Yngrami de Doernen ex uno et inter communem aquam ibidem fluentem ex alio, quod domistadium Iohannes Mutsart erga Beatricem relicta quondam Godescalci Becker, Katherinam et Agnetem, filias dicte Beatricis et quondam Godescalci predicti, ad censum acquisierat, et de quo domistadio Arnoldus Vos de Uden, filius quondam Gerardus Vos, unam medietatem erga Iohannem filium quondam Bartholomei die Ridder et unam medietatem erga Theodericum Zuelic? van Rode, Arnoldum Mutsart, filium quondam Henrici Mutsart, et Iohannem die Wael, filium naturalem Gerardi die Wael Lambrechs soen, acquisierat, prout in diversis litteris, hereditarie supportavit michi ad opus Elisabeth relicte quondam Iohannis de Orthen, filii quondam Petri ---. Datum xxi augusti.
6.R. 1233, f. 169: Elisabeth relicta quondam Iohannis de Orthen, filii quondam Petri, cum tutore, domistadium cum suis edificiis, situm in Buscoducis iuxta pontem dictum Conincxbrugge inter hereditatem Henrici Zweertvegher et Yngrami de Doernen ex uno et inter communem aquam ibidem fluentem ex alio, quod domistadium Lambertus de Doernen, filius Cristiani, ad opus dicte Elisabeth erga Gerardum Vos, filium quondam Henrici, filium quondam Arnoldi Vos de Uden, filii quondam Gerardi Vos, acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Gerardo Bathen soen, filio quondam Gerardi
goed op 29 maart 1470 over aan Gijsbrecht Gijsbrechtsz. de Kok. Hierbij werden nog steeds de inmiddels verouderde belendingen vermeld, maar een toegevoegde bepaling maakt duidelijk dat het erf van Hendrik Zweerdveger en Ingram van Deurne toen in het bezit was van de erfgenamen van Mathijs van Teeffelen. De bepaling luidde dat de verkoper, Gerit Batenz., een stukje erf behield van het huiserf en van genoemd erf van Mathijs van Teeffelen, welk stukje erf genomen was van het achterste deel van de huisplaats en van genoemd erf ter grootte van 20 voet (5,74 m) te meten vanaf het erf van Gerit Batenz. naar achteren tot aan de brug aldaar. Dit stukje erf was gelegen tussen het openbare water aan de ene zijde en erf van Gerit Batenz. aan de andere zijde en met het ene eind, strekkend met het andere eind naar achteren tot aan de brug.1 Met deze brug is hoogstwaarschijnlijk niet de Lombardsbrug bedoeld maar de brug over de Dieze in de straat De Mortel.
Liesbet dochter van Gijsbrecht de Kok, weduwe van Gozewijn Heym, droeg de huisplaats ten slotte op 11 juni 1478 over aan Ike weduwe van Marten Pels.2

Bezitters:
Emond Rover >
Jan van Hellu >
zijn dochter Margriet, gehuwd met Herman Winriksz. van Oyen >
Aart Aartsz. van Beek >
zijn dochter Katelijn, gehuwd met Peter Roelofsz. Polslouwer >
hun dochter Beatrijs, gehuwd met Godschalk Becker >
Beatrijs en haar dochters Katelijn, Agnes en Heilwig ten cijns 1420.01.30 >
Jan Mutsart >
zijn erfgenamen? >
Aart Gerit Vos (1427.01.08) >
Gerit Hendrik Aart Gerit Vos van Uden 1462.08.21 >
Liesbet weduwe Jan Petersz. van Orthen en kinderen 1464.03.19 >
Gerit Gerit Batenz. 1470.03.29 >
Gijsbrecht Gijsbrechtsz. de Kok >
zijn dochter Liesbet weduwe Gozewijn Heym 1478.06.11 >
Ide weduwe Marten Pels
 Bathen soen ---. Datum xix marcii, secunda post Iudica.
 Adrianus et Hilla liberi quondam Iohannis de Orthen, filii quondam Petri, cum tutore, super premissis et iure ad opus dicte Gerardi hereditarie renunciaverunt ---. Testes, datum supra.
1.R. 1239, f. 257-257v.: Gerardus Bathen soen, filius quondam Gerardi Bathen soen, domistadium cum suis edificiis, situm in Buscoducis iuxta pontem dictum Coninxbrugge inter hereditatem Henrici Zweertvegher et Yngrami de Doernen ex uno et inter communem aquam ibidem fluentem ex alio, quod domistadium cum suis edificiis predictis dictus Gerardus Bathensoen erga Elizabeth relictam quondam Iohannis de Orten, filii quondam Petri, acquisierat, prout in litteris, salvo dicto Gerardo Bathensoen et eidem reservato de dicto domistadio necnon de hereditate dictorum quondam Henrici Zweertvegher et Yngrami de Doernen, nunc heredum quondam Mathie de Tephelen, ibidem lateraliter adiacente, quadam particula hereditatis sumpta de posteriori parte domistadii et hereditatis predictarum ad spacium viginti pedatarum, mensurando ab hereditate dicti Gerardi Bathensoen ibidem retrosituata antrorsum versus pontem predictum, et que particula hereditatis predicta ibidem sita est inter dictam communem aquam ex uno et inter hereditatem dicti Gerardi Bathensoen ex alio et fine uno, tendens cum reliquo fine antrorsum versus pontem predictum, ut dicebat, hereditarie supportavit Giselberto die Kock, filio quondam Ghiselberti die Kock ---. Datum xxixa marcii, quinta post Oculi.
2.R. 1247, f. 174v.-175: Domicella Elisabeth relicta quondam Goeswini Heym, filia quondam Ghiselberti die Kock, cum tutore, domistadium cum suis edificiis, situm in Buscoducis iuxta pontem dictum Coninxbrugge inter hereditatem Henrici Zwertveger et Yngrami de Doernen ex uno et inter communem aquam ibidem fluentem ex alio, salvo Gerardo Bathensoen et eidem reservato de dictis domistadio necnon de hereditate dictorum quondam Henrici Zwertveger et Yngrami de Doernen, nunc heredum quondam Mathie de Tephelen, ibidem lateraliter adiacente, quadam particula hereditatis, sumpta de posteriori parte domistadii et hereditatis predictarum ad spacium viginti pedatarum, mensurando ab hereditate dicti Gerardi Bathensoen ibidem retro situata retrorsum versus pontem predictum, et que particula hereditatis predicta ibidem sita est inter communem aquam ex uno et inter hereditatem dicti Gerardi Bathensoen ex alio et fine uno, quod domistadium cum edificiis predictis, dicta particula hereditatis excepta, Ghiselbertus die Kock, filius quondam Ghiselberti die Kock, erga Gerardum Bathensoen, filium quondam Gerardi Bathensoen, acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit dicte Yde (= relicte quondam Martini Pels) ---. Testes, datum supra (= xia iunii).
Oostelijk deel
Het oostelijk deel van het latere Keizerstraat 2 werd op 8 januari 1427 door Jacob Hendriksz. Zweerdveger ten erfelijke cijns gegeven aan Mathijs Mathijsz. van Oyen, in de akten ook Van Teeffelen (Tephelen) genoemd. Er werd gesproken van een huis, erf en tuin bij de Koningsbrug tussen erf van wijlen Aart Vos van Uden aan de ene zijde en tussen een weg aldaar strekkend van de straat naar het erf geheten die Mortel, strekkend van de openbare straat tot erf van Ingram van Deurne.1
Hierna zal het complex in het bezit gekomen zijn van de - waarschijnlijk twee - erfgenamen van Mathijs en zijn vrouw Geertruid dochter van Hendrik Wijnbrood. Geertruids broer Hendrik Kroek vleeshouwer, droeg namelijk op 15 december 1441 zijn helft in het goed over aan Bele weduwe van Mathijs van Oyen.2 Deze Bele zal dus de tweede vrouw van Mathijs zijn geweest. Bele hertrouwde met Zebrecht Gijsbrechtsz. Kesselman. Deze transporteerde als haar echtgenoot deze helft op 10 april 1453 ten behoeve van Jan Jansz. Spiker,3 die de helft op zijn beurt op 24 maart 1463 overdroeg aan Marten Petersz. Pels en Udo Mathijsz. van Teeffelen.4

Bezitters:
Jacob Hendriksz. Zweerdveger 1427.01.08 >
Mathijs Mathijs Mathijsz. van Oyen (Teeffelen) >
zijn twee (?) erfgenamen
1.R. 1196, f. 26: Iacobus Sweertvegher, filius quondam Henrici Sweertvegher, domum, aream et ortum sitos in Buscoducis (apud locum)?a Coninxbrugge inter hereditatem quondam Arnoldi Vos de Uden ex uno et inter viam quandam ibidem protensam a vico versus hereditatem dictum die Mortel ex alio, tendentes a communi vico ad hereditatem Yngrami de Doernen, prout dicta hereditas? ibidem sita est et ad dictum quondam Henricum Sweertvegher pertinere consueverat, ut dicebat, simul cum quibusdam litteris, quos habebat, mencionem inde facientibus?, dedit ad hereditarium censum Mathie de Oyen, filio quondam Mathie Mathijs soen, ab eodem hereditario iure habendos pro hereditario censu unius libre monete Willelmo de Megen die bastart ...a prius inde solvendo ut dicebat, dando ab anno terminis debitis, atque pro hereditario censu sex et dimidie librarum monete, dando sibi ab anno mediatim nativitatis Iohannis et mediatim nativitatis Domini, et pro primo solutionis termino nativitatis Iohannis obitum Tielmanni filii Tielmanii Joerdens soen et Rodolphe filie quondam Petri Polslouwer amborum et non prius proxime sequentis ex premissis ---. Atque vitalem pensionem sex et dimidie librarum monete predicte de vitali pensione octo librarum, quam pactionem octo librarum Tielmannus filius Tielmanni Joerdens soen et Rodolpha eius uxor ad eorum vitam solvendam habent, exnunc deinceps sic solvere quousque Tielmannus et Rodolpha predicti ambo vel eorum alter vel altera vixerit et non ultra, quod dicto Iacobo dampna exinde? non eveniant in futurum. Testes Lu et Arnoldus. Datum octava ianuarii.
 a Een of enkele woorden onleesbaar.
2.R. 1212, f. 17: Henricus Kroec carnifex, filius quondam Henrici Wynbroet, medietatem ad ipsum spectantem in domo, area et orto sitorum! in Buscoducis apud locum dictum Coninxbrugge inter hereditatem quondam Arnoldi Vos de Uden ex uno et inter quandam viam ibidem protensam a communi vico versus hereditatem dictam die Mortel ex alio, quos domum, aream et ortum quondam Mathias de Oyen, filius quondam Mathie Mathijs soen erga Iacobum Sweertvegher, filium quondam Henrici Sweertvegher, stante integro thoro inter dictum quondam Mathie! de Oyen en quondam Gertrudem eius uxoris dum vixerat, filiam quondam Henrici Wynbroet predicti, ad censum acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Bele relicte quondam Mathie de Oyen predicti ---. Datum xv decembris.
3.R. 1223, f. 202: Zebertus Kesselman, filius Ghiselberti Kesselman, maritus et tutor legitimus ut asserebat Bele sue uxoris, relicte quondam Mathye de Oyen, filii quondam Mathie dicti Mathijs soen, medietatem que ad Henricum Kroec carnificem, filium quondam Henrici Wynbroet, spectabat in domo, area et orto sitis in Buscoducis apud locum dictum Coninxbrugge inter hereditatem quondam Arnoldi Vos de Uden ex uno et inter quandam viam ibidem, protensam a communi vico versus hereditatem dictam die Mortel ex alio, quam medietatem dicta Bela erga dictum Henricum Kroec acquisierat, prout in litteris, legitime et hereditarie supportavit michi Lamberto ad opus Iohannis Spiker, filii quondam Iohannis Spiker ---. Testes, datum supra (= decima aprilis, tercia post Quasi modo).
4.R. 1232, f. 460: Iohannes Spijker, filius quondam Iohannis Spijker, medietatem que ad Henricum dictum Kroeck carnificem, filium quondam Henrici dicti Wynbroet spectabat in domo, area et orto sitis in Buscoducis apud locum dictum Coninxbrugge inter hereditatem quondam Arnoldi Vos de Uden ex uno et inter quandam viam ibidem protensam a communi vico versus hereditatem dictam den Mortel ex alio, quam medietatem dictus Iohannes erga Zebertum dictum Kesselman, filii Ghiselberti Kesselman, maritum et tutorem legitimum Bele sue uxoris, relicte quondam Mathie de Oeyen, acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Martino Pels, filio quondam Petri Pels, et Udoni de Tephelen, filio quondam Mathie ---. Datum xxiiii marcii, quinta post Letare Iherusalem.
erfgenaam Hendrik Kroek vleeshouwer, zoon van Hendrik Wijnbrood, de helft 1441.12.15 >
Bele weduwe Mathijs van Oyen, hertrouwd met Zebert Gijsbrechts Kesselman, helft van Hendrik Kroek 1453.04.10 >
Jan Jansz. Spiker genoemde helft 1463.03.24 >
Marten Petersz. Pels en Udo Mathijsz. van Teeffelen

Achter Keizerstraat 2 (De Mortel westzijde)

Achter de huizen die later Keizerstraat 2 vormden lagen enkele moeilijk precies te situeren al dan niet bebouwde percelen. Om te beginnen werd als belendster van het pand Keizerstraat 4-10 enkele keren een wijlen Marie van den Doren genoemd.1 Mogelijk was zij de weduwe van Van den Doren; het was niet ongebruikelijk dat een weduwe met de naam van haar overleden man werd aangeduid. Clarissa weduwe van Jan van den Doren lakenwever droeg op 26 oktober 1430 haar vruchtgebruik in een zesde deel van een huis en erf bij de Lombardsbrug over aan haar zoon Jan. Het goed werd gesitueerd tussen erf van Mathijs van Teeffelen brouwer en het openbare water, strekkend van de openbare straat tot erf van Ingram van Deurne. Jan van den Doren droeg dit recht vervolgens over aan Hendrik zoon van wijlen Aart Vos lakenwever.2
Op 29 december 1432 droeg Jan vervolgens al zijn recht over aan Hendrik Aartsz. Vos van Uden. Er werd nu ook een tuin vermeld; de belendingen waren dezelfde als in de vorige akte.3 Aan te nemen valt dat met die openbare straat hier De Mortel bedoeld is. Hendrik Vos droeg dit zesde deel in huis, erf en tuin op 14 mei 1433 over aan Mathijs Mathijs van Oyen/van Teeffelen. Deze erkende dat Gente weduwe van Aart Vos gedurende haar leven het vruchtgebruik van dit zesde deel zou behouden.4
Op 25 februari 1437 droeg de weduwe haar vruchtgebruik in het derde deel van vijf zesde delen - te weten het derde deel dat haar zoon Hendrik geërfd had en hem na haar dood als erfelijk recht zou toevallen - aan haar zoon Hendrik over, die het vervolgens op dezelfde dag doorverkocht aan Mathijs van Oyen. De weduwe, Gente, wilde de overige twee derde delen van de vijf zesde delen vervolgens verhuren aan Mathijs maar de akte is niet afgewerkt.5 Op 15 januari 1442 verhuurde zij twee vijfde
1.Aldus bv. in R. 1201, f. 284 (11 september 1431).
2.R. 1201, f. 7: Claryssa relicta quondam Iohannis vanden Doren textorem laneorum cum tutore usufructum sibi competentem in una sexta parte domus et aree site in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombartsbrugge inter hereditatem Mathye van Tefelen braxatoris et uno et inter communem aquam ibidem fluentem ex alio, tendentis a communi vico ad hereditatem Yngrami de Doerne, ut dicebat, hereditarie supportavit Iohanni suo filio ---. Datum xxvi octobris.
 Notum sit universis quod cum ita actum fuisset unt in contractu precedente, constitutus igitur dictus Iohannes filius quondam Iohannis dictam sextam partem dicte domus et aree hereditarie vendidit Henrico Vos, filio quondam Arnoldi Vos textoris laneorum ---. Testes, datum supra.
3.R. 1203, f. 26 nw.: Iohannes vanden Doren, filius quondam Iohannis vanden Doren textoris, totam partem et omne ius ad ipsum ut dicebat spectantem in domo, area et orto, sitis in Buscoducis apud pontem Lombartbrugge inter hereditatem Mathie de Tephelen ex uno et inter communem aquam ex alio, tendente a communi platea ad hereditatem Ygrami de Doernen, ut dicebat, hereditarie supportavit Henrico Vos, filio quondam Arnoldi Vos de Uden ---. Testes, datum supra (= xxix decembris).
4.R. 1203, f. 259v.: Henricus dictus Vos, filius quondam Arnoldi Vos de Uden, sextam partem que ad Iohannem dictum vanden Doren, filii quondam Iohannis vanden Doren textoris spectabat in domo, area et orto, sitis in Buscoducis ad pontem dictum die Lombartbrugge inter hereditatem Mathie dicti de Tephelen alias de Oyen ex uno et inter aquam ibidem fluentem ex alio, tendentibus a communi plathea ad hereditatem Ygramo dicto de Doernen, quam sextam partem dictus Henricus erga dictum Iohannem vanden Doren acquisierat, prout in litteris dicebat contineri, legitime et hededitarie supportavit Mathie de Oyen, filio quondam Mathie ---, excepta sexta parte hereditarii census quatuor librarum monete ex integra domo, area et orto predictis solvenda ---. Testes, datum supra (= xiiii maii, quinta post Cantate).
 Willelmus Mughovel prebuit et reportavit. Testes, datum supra.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Mathias consensit palam quod Genta relicta quondam dicti Arnoldi Vos de Uden quoadvixerit suum usufructum habebit et possidebit in sexta parte domus, area et orti predictorum ---. Testes, datum supra.
5.R. 1207, f. 37: Gynta relicta quondam Arnoldi Vos de Uden cum tutore usufructum sibi ut dicebat competentem in tercia parte de quinque sextis? partibus domus, aree et orti, sitorum in Buscoduci iuxta pontem dictum Lombartbrugge inter hereditatem Mathie de Oyen, filii quondam Mathie, et Zeynse filie quondam Yngrami de Doerne ex uno et inter communem
(!) delen van vijf zesde delen en al haar recht aan Bele weduwe van Mathijs van Oyen gedurende het leven van Gente.1 Het is niet duidelijk wat er hierna met dit goed gebeurd is. Mogelijk is het toegevoegd aan het complex van Mathijs van Oyen.

Bezitters:
Clarissa weduwe Jan van den Doren lakenwever zesde deel in vruchtgebruik 1430.10.26 >
haar zoon Jan Jansz. vanden Doren genoemd zesde deel 1430.10.26 >
Hendrik Aartsz. Vos lakenwever
Jan Jansz. van den Doren wever recht (zesde deel) 1432.12.29 >
Hendrik Aart Vos van Uden zesde deel 1433.05.14 >
Mathijs Mathijsz. van Oyen/Teeffelen
Gente weduwe Aart Vos van Uden vruchtgebruik derde deel van vijf zesde deel 1437.02.25 >
haar zoon Hendrik derde deel van vijf zesde deel 1437.02.25 >
Mathijs van Oyen

Bebouwing aan de zuidzijde van de Waterstraat (van west naar oost)

Aan de oostkant van het Mortelstraatje bevond zich in de late middeleeuwen een vrij smalle huisplaats die in 1450 in het bezit was van Hendrik Bloemart als man van Mechteld weduwe van Aart Gerisz. van Oss.2 Deze laatste had de huisplaats, gelegen tussen ‘een weg genomen uit het erf geheten die Mortel aan de ene en tussen erf van Agaat Postkens aan de andere zijde’, ten erfcijns ontvangen van Ingram Robbrechtsz. van Deurne.3 De huisplaats was vóór aan de straat 16 7/8 voet (4,84 m)
 aquam ex alio, tendentium a communi vico ad hereditatem dicte Zeynse, in illa scilicet tercia parte que Henrico suo filio de morte dicti quondam Arnoldi Vos de Uden, sui patris, iure successionis hereditarie advoluta est et que eidem Henrico per et post mortem dicte Gynte sue matris iure hereditario advolvenda est, ut dicebat, legitime supportavit dicto Henrico suo filio ---. Datum xxv februarii.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Henricus filius Gynte et quondam Arnoldi Vos predictorum supradictam terciam partem de dictis quinque sextis partibus? domus, aree et orti predictorum, ut dicebat, hereditarie vendidit dicto Mathie de Oyen ---, excepto hereditario censu quatuor librarum monete ex integro domo, area et orto e iure solvendo, ut dicebat. Testes, datum supra (= xxii ianuarii). ---.
 Dicta Gynta reliquas duas tercias partes dictarum quinque sextarum partium dicte domus posterioris locavit recto locacionis modo Mathie predicto, ab eodem quo ad vixerit dicta Gynta habendas (niet afgewerkt).
1.R. 1212, f. 115: Genta relicta quondam Arnoldi Vos duas quintas partes quinque sextarum? partium et omne ius sibi competentes in domo, area et orto sitis in Buscoducis iuxta pontem Lombardorum inter hereditatem Bele relicte quondam Mathie de Tephelen ex uno et inter aquam ibidem fluentem ex alio, tendentibus a communi vico ad hereditatem dicte Bele, ut dicebat, locavit recto locacionis titulo Bele predicte, ab eodem quondam quoadvixerit dicta Genta et non amplius habendos et possidendos pro annuo censu quatuor librarum monete ex dictis integra domo et area et orto solvendo, dando a dicta Bela anno quolibet ad vitam dicte Gente ---. Datum xv ianuarii.
2.R. 1221, f. 221v.: Dictus Henricus Bloemart, maritus legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, relicte quondam Arnoldi filii quondam Gerisii de Os, et ipsa cum eodem tamquam cum tutore, quoddam domistadium situm in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombartsche brugge inter quandam viam sumptam de hereditate dicta die Mortel ex uno et inter hereditatem Aghate dicte Postkens ex alio, et quod domistadium ante iuxta dictam! plateam continet decem et sex ac dimidiam pedatas et tres quartas partes et retro iuxta dictam! hereditatem Yngrami filii quondam Robberti van Doernen decem pedatas et tres quartas partes unius pedate et sexaginta septem et dimidiam pedatas minus uno pollice in longitudine, quod domistadium Arnoldus filius quondam Gerisii de Os erga Yngramum filium quondam Robberti van Doernen ad censum acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Ghiselberto Valant, filio naturali quondam Thome Valant ---. Datum xvii octobris.
3.R. 1204, f. 44v. (11 februari 1434): Arnoldus filius quondam Yngrami de Doernen, filii quondam Robberti de Doerne, hereditarium censum trium librarum et xv solidorum monete, quem censum Arnoldus filius quondam Gerisii de Os promiserat se daturum et soluturum dicto quondam Yngramo hereditarie mediatim nativitatis Domini et mediatim nativitatis Iohannis Baptiste ex quodam domistadio sito in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombartsche brugge inter quandam viam sumptam de hereditate dicta die Mortel ex uno et inter hereditatem Agathe Postkens ex alio, tendente a communi platea hereditatem dicti Yngrami, quod domistadium dicti Arnoldi filii quondam Gerisii de Os erga dictum quondam Yngramum pro dicto censu et quibusdam aliis oneribus ad censum acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Zeynse sue sorori, filie quondam Yngrami ---. Datum xi februarii.
 Notum sit universis quod cum quondam Yngramus de Doernen annuatim et hereditarie solvere consueverat dominis decano
breed en achter 10 3/4 voet (3,09 m) en had een lengte van 76½ voet min een duim (21,93 m) (een Bossche stadsduim mat 1/12 deel van een voet van 28,7 cm = 2,39 cm).1 Deze huisplaats was al in 1429 in het bezit van Hendrik en zijn vrouw Mechteld, zoals blijkt uit de overdracht van een cijns.2
Op 17 oktober 1450 droegen Hendrik Bloemart en zijn vrouw Mechteld weduwe van Aart Gerisz. van Oss de huisplaats over aan Gijsbrecht Valant, natuurlijke zoon van Thomas Valant.3 Gijsbrechts kleinzoon Simon, zoon van Thomas Gijsbrechtsz. Valant, transporteerde op 10 oktober 1496 zijn recht aan zijn oom Marselis Gijsbrechtsz. Valant4 en dit deed op 5 januari 1499 ook Willem Hermansz. als man van Dirkske dochter van wijlen Thomas Lysscap (=Valant).5
Op 23 april 1499 transporteerden Marselis, Marie dochter van wijlen Thomas Valant en Gijsbrecht Jan Dirksz. als man van Mechteld dochter van Thomas Valant de huisplaats aan Jan Willem Noeyens. Zij bestond toen uit een huis en erf, dat gesitueerd werd op de hoek van de straat naar de Mortel tussen de genoemde straat en tussen erf van Ide weduwe van Marten Pels, geheten die
 et capitulo beati Iohannis ewangeliste in Buscoducis hereditarium censum x solidorum monete ex quadam hereditate dicti quondam Yngrami, sita in Buscoducis in loco dicto den Mortel, ut dicebat, constitutus igitur dictus Arnoldus filius quondam Yngrami promisit super omnia et habenda dicte Zeynse sue sorori deze cijnzen van 3 pond en 10 schellingen en van 10 schellingen voortaan te betalen ---. Testes, datum supra.
1.R. 1221, f. 221v.: Dictus Henricus Bloemart, maritus legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, relicte quondam Arnoldi filii quondam Gerisii de Os, et ipsa cum eodem tamquam cum tutore, quoddam domistadium situm in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombartsche brugge inter quandam viam sumptam de hereditate dicta die Mortel ex uno et inter hereditatem Aghate dicte Postkens ex alio, et quod domistadium ante iuxta dictam! plateam continet decem et sex ac dimidiam pedatas et tres quartas partes et retro iuxta dictam! hereditatem Yngrami filii quondam Robberti van Doernen decem pedatas et tres quartas partes unius pedate et sexaginta septem et dimidiam pedatas minus uno pollice in longitudine, quod domistadium Arnoldus filius quondam Gerisii de Os erga Yngramum filium quondam Robberti van Doernen ad censum acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Ghiselberto Valant, filio naturali quondam Thome Valant ---. Datum xvii octobris.
 Zie ook R. 1212, f. 3v. (11 oktober 1441): Zeynsa filia quondam Yngrami filii quondam Robberti van Doerne, cum tutore, annuum et hereditarium censum trium librarum et quinque solidorum monete, quem censum Arnoldus filius quondam Gerisii de Os promiserat se daturum et soluturum dicto Ygramo hereditarie mediatim nativitatis Domini et mediatim nativitatis Iohannis ex quodam domistadio sito in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombartsche brugge inter quandam viam sumptam de hereditate dicta die Mortel ex uno et inter hereditatem Aghate Postkens ex alio, tendente a communi platea ad hereditatem dicti Ygrami, et quod domistadium ante iuxta dictam plateam continet decem et sex ac dimidiam pedatas in latitudine et retro iuxta dictam hereditatem eiusdem Ygrami decem pedatas et tres quartas partes unius pedate in latitudine continente et sexagintaseptem et dimidiam pedatas minus uno pollice in longitudine, quod domistadium dictus Arnoldus erga dictum Ygramum pro dicto censu ad censum acquisierat, prout in litteris, et quem censum predictum dicta Zeynsa erga Arnoldum filium quondam Yngrami predicti, eius fratrem, acquisierat, prout in aliis litteris, hereditarie supportavit dicto Arnoldo suo fratri, filio dicti quondam Yngrami ---. Datum undecima octobris.
2.R. 1200, f. 144v. nw.: Iohannes filius quondam Iohannis Huben hereditarium censum duarum librarum monete, solvendum hereditarie mediatim nativitatis Domini et mediatim nativitatis Iohannis de domistadio, domo et orto sitis in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombartsbrugghe inter quandam viam ibidem ex uno et inter hereditatem Agathe Postkens ex alio, quem censum predictum Iohannes primodictus erga Henricum Blomart, maritum et tutorem legitimum Mechteldis sue uxoris, relicte quondam Arnoldi filii quondam Gerisii de Os, et erga eandem Mechteldem emendo acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit michi ad opus Petri filii quondam Willelmi Goyarts soen ---. Datum xii octobris.
3.Zie hiervóór.
4.R. 1265, f. 379v.
5.R. 1267, f. 287v.: Willelmus Hermans zoen tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Theoderice sue uxoris, filie quondam Thome Lysscap, filii quondam Ghiselberti dicti Valant, filii naturalis quondam Thome dicti Valant, octavam partem totamque partem et omne ius ad ipsum et dictam Theodericam eius uxorem ut dicebat spectantem in quodam domistadio sito in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombaertsche brugge inter quandam viam sumptam de hereditate dicta die Mortel ex uno et inter hereditatem Agathe dicte Postkens ex alio et quod domistadium ante iuxta dictam plateam continet decem et sex ac dimidiam pedatas in latitudine et retro iuxta dictam hereditatem Yngrami filii quondam Robberti dicti van Doerne decem pedatas et tres quartas partes unius pedate et sexagintaseptem et dimidiam pedatas minus uno pollice in longitudine, quod domistadium predictum dictus Ghiselbertus Valant, filius naturalis quondam Thome dicti Valant erga Henricum dictum Bloemart pellificem, filium quondam Iohannis dicti Crodewagen, et Mechteldem eius uxorem emendo acquisierat, prout in litteris, necnon in edificiis desuper consistentibus hereditarie supportavit Marcelio filio dicti quondam Ghiselberti Valant ---. Datum quinta ianuarii.
Hesp, strekkend van de openbare straat geheten die Lombartsbrugge tot erf van Cornelis Loenmans.1 Waarschijnlijk was de koper Jan Sebastiaan Willem Noyens timmerman, die op 20 juli 1500 aan Marten Aart Aartsz. timmerman een cijns beloofde uit zijn huis, erf en tuin op de hoek van een steeg aldaar, geheten dat Mortel straetken tussen de steeg aan de ene zijde en tussen erf van Jan Pijnappel aan de andere zijde, strekkend van de openbare straat naar achter tot aan erf van Cornelis Coelborner.2 Dat het hierbij om een perceel in de Waterstraat ging, blijkt uit de belending van Jan Pijnappel. Deze bezat een complex naast erf van Pauwels van Haestrecht aan de zuidzijde van de Waterstraat.3

Bezitters:
Emond Rover >
Jan van Hellu >
zijn dochter Margriet, gehuwd met Herman Winriksz. van Oyen >
Aart Aartsz. van Beek? >
Ingram Robbrechtsz. van Deurne >
Aart Gerisz. van Oss
zijn weduwe Mechteld, hertr. Hendrik Blomart, 1450.10.17 >
Gijsbrecht Thomasz. Valant
zijn erfgenamen 1499.04.23 >
Jan Willemsz. Noeyens

Hiernaast stonden twee kameren. Op 24 november 1472 droeg Mechteld weduwe van wijlen Hendrik Korstiaansz. van den Heuvel haar vruchtgebruik daarin over aan hun beider kinderen. De kameren werden gesitueerd bij de Lombardsbrug tussen erf van Agnes Liscop en tussen erf van Gozewijn Schaalmeker, strekkend vanaf het erf van Aart Ingramsz. goudsmid tot aan de openbare straat.4 Op 17 maart 1474 transporteerde Mechteld, hier ook aangeduid als dochter van wijlen Hubrecht Michielsz. van Espdonk, de kameren uit kracht van het testament van haar man, over aan Roelof Jansz. van den
1.R. 1267, f. 188-188v.: Merselius filius quondam Ghijselberti dicti Valant, Maria filia quondam Thome dicte Valant, filii dicti quondam Ghijsberti dicti Valant, et Ghijsbertus filius quondam Iohannis Dirixssoen, maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Thome, filii quondam Ghijsberti dicti Valant, cum tutore, domistadium quoddam situm in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombartsbrugge inter quandam viam sumptam de hereditate dicta den Mortel ex uno et inter hereditatem Aghathe dicte Postkens ex alio, quod domistadium ante iuxta dictam plateam continet decem et sex ac dimidiam pedatas in latitudine et retro iuxtam hereditatem Ygrami filii quondam Robberti dicti van Doerne decem pedatas et tres quartas partes unius pedate et sexaginta septem et dimidiam pedatas minus uno pollice in longitudine, et quod domistadium dictus Ghijsbertus dictus Valant erga Henricum dictum Bloemart pellificis, filii quondam Iohannis dicti Croedewagen, et Mechteldem eius uxorem, relictam quondam Arnoldi filii quondam Gerisii dicti de Oss, acquisierat, prout in litteris, et quod domistadium nunc unus domus et area esse dinoscuntur et sita est ibidem supra conum vici tendente versus locum dictum den Mortel inter dictum vicum ex uno et inter hereditatem Yde relicte quondam Martini Pels, dictam die Hesp, ex alio, tendens a communi vico dicto die Lombartsbrugge ad hereditatem Cornelii Loenmans, ut dicebant, hereditarie supportaverunt Iohanni filio quondam Wilhelmi Noeyens --- hereditarius census quatuor librarum minus una quarta parte unius libre monete Cornelio Loenmans ---. Datum xxiii aprilis, 3a post Iubilate.
2.R. 1268, f. 306v.: Iohannes filius quondam Sebastiani filii quondam Willelmi dicti Noyens carpentarius, promisit ut debitor principalis Martino filio quondam Arnoldi Arntssoen carpentario, quod ipse dabit et solvet eidem Martino hereditarium censum quatuor librarum monete anno quolibet hereditarie nativitatis Baptiste de et ex domo, area et orto dicti Iohannis, sitis in Buscoducis prope pontem Lombardorum supra conum cuiusdam viculi ibidem protensi, dat Mortel straetken vocati, inter eundem viculum ex uno latere et inter hereditatem Iohannis Pynappel ex alio, tendentibus a communi platea retrorsum usque ad hereditatem Cornelii dicti Coelborneer --- (volgen bepalingen betreffende de afkoop). Datum xxa iulii.
3.Zie bv. R. 1255, f. 447-448 (20 juli 1486).
4.R. 1242, f. 115: Mechteldis relicta quondam Henrici filii Cristiani vanden Hoevel cum tutore usufructum sibi ut dicebat competentem in duabus cameris contigue sibi invicem adiacentibus, sitis in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombarts brugge inter hereditatem Agnetis Lijscop ex uno et inter hereditatem Goeswini Schaelmeker ex alio, tendentibus ab hereditate Arnoldi Yngrams aurifabri ad communem plateam; en in een akker in Schijndel legitime supportavit Huberto et Iohanni fratribus, liberis Mechteldis et quondam Henrici filii quondam Cristiani vanden Hoevel predictorum ad opus eorum et ad opus Theoderici et Henrici eorum fratrum necnon Mechteldis et Aleidis suarum sororum, liberorum eorundem Mechteldis et quodam Henrici ---. Datum supra (= xxiiii novembris).
Borne,1 die ze op 11 maart 1484 overdroeg aan Jan Pijnapppel.2
Deze twee kameren waren blijkens de overdracht van een cijns al in 1434 in het bezit van Hubrecht van Espdonc.3 Waarschijnlijk zijn ze gebouwd op een huisplaats, waarvan de erfgenamen van Reinier Zeger Reiniersz. de helft op 5 februari 1422 verkochten aan Dirk Herman Husken timmerman, waarna deze die helft overdroeg aan Hubrecht. De belendingen luidden toen: tussen erf van Jan Vos schoenmaker en erf van Mette weduwe van Aart Geris, strekkende van de straat tot aan erf van Ingram van Deurne.4

Bezitters:
Reinier Zeger Reiniersz.
zijn erfgenamen 1422.02.05 >
Dirk Herman Husken timmerman 1422.02.05 >
1.R. 1243, f. 234: Dicta Mechteldis, filia quondam Huberti filii quondam Michaelis de Espdonck?, relicta etcetera (= relicta quondam Henrici filii quondam Cristiani vanden Hoevel) cum tutore, potens ad hoc ut supra (= vigore testamenti ac ultime voluntatis dicti quondam Henrici eius dum vixit mariti) duas cameras cum earum fundis, iuribus et attinentiis sibi invicem coadiacentibus, sitas in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombarts brugge inter hereditatem Goeswini Schaelmeker ex uno et inter hereditatem Agnetis Lysscops ex alio, tendentes a communi vico retrorsum ad hereditatem Arnoldi Yngraems soen aurifabri, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Rodolpho (= filio quondam Iohannis vanden Borne) ---, exceptis hereditario censu duarum librarum monete conventui sancte Clare in Buscoducis et hereditario censu decem librarum monete Iohanni Pijnappel annuatim exinde e iure solvendis, quos census dictus quondam Henricus filius quondam Cristiani exinde vendiderat aut solvere promiserat ---. Testes, datum supra (= xvii marcii, quinta post Oculi).
 Volgen, zelfde folio en datum, een akte van afstand van hun recht door Hubertus et Iohannes fratres et Aleidis eorum soror, liberi quondam Henrici filii quondam Cristiani vanden Hoevel, atque Henricus filius quondam Iohannis Scijndelmans, maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Henrici filii quondam Cristiani vanden Hoevel ---.
2.R. 1253, f. 414v.: Dictus Rodolphus (= Rodolphus filius quondam Iohannis vanden Borne) duas cameras cum earum fundis, iuribus et attinentiis sibi immediate? coadiacentibus, sitas in Buscoducis iuxta pontem dictum Lombarts brugge inter hereditatem Goeswini Schaelmeker ex uno et inter hereditatem Agnetis Lisscops ex alio, quas cameras cum earum fundis, iuribus et attinentiis dictus Rodolphus erga Mechteldem filiam quondam Huberti filii quondam Michaelis de Espdonck, relicta quondam Henrici filii quondam Cristiani vanden Hoevel, acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Iohanni Pijnappel ---. Testes, datum supra (= xi marcii, quinta post Invocavit).
3.R. 1204, f. 101v.: Arnoldus filius quondam Yngrami van Doerne et Zeynsa eius soror, filia dicti quondam Yngrami, cum tutore, hereditarium censum unius grossi antiqui, quem Hubertus filius quondam Mychaelis van Espdonc solvere tenetur dicto Arnoldo et Zeynsa hereditarie nativitatis Domini ex duabus cameris ad dictum Hubertum spectantem, sitis in Buscoducis iuxta locum dictum die Mortel, ut dicebat, hereditarie supportaverunt dicto Huberto ---. Datum ultima iulii.
4.R. 1193, f. 13: Zegherus filius quondam Zegeri Reyners soen van Ghemonden et Zegerus, Reynerus, Iohannes et Petrus fratres, liberi quondam Arnoldi filii quondam Zegeri Reyners soen predicti, atque Zegerus, Gerardus fratres et Marina et Elizabeth eorum soror, liberi quondam Rutgeri dicti Gheritssoen, ab ipso et quondam Aleyde filia quondam Zegeri Reyners soen pariter geniti, cum tutore, et Rutgerus filius quondam Iohannis filii dictorum quondam Rutgeri et Aleydis, et Thomas filius quondam Baudewini Heyn Lemkenssoen, ab ipso et quondam Elizabeth sua uxore, filia dicti quondam Zegeri, pariter genitur, et Iohannes Phlips! soen, maritus et tutor legitimus ut asserebat Heylwigis sue uxoris, filie dicti quondam Baudewini et Elizabeth, et Lambertus, Iohannes et Rodolphus fratres, liberi quondam Henrici die Wyse, ab eodem quondam Henrico et quondam Elizabeth sua uxore, filia dicti quondam Baudewini et Elizabeth, pariter geniti, et Petrus filius quondam Petri van Casteren, maritus et tutor legitimus ut asserebat Cristine sue uxoris et Gerardus filius Willelmi Wandelart?, maritus et tutor legitimus ut asserebat Elizabeth sue uxoris, filiarum dictorum quondam Henrici die Wyse et Elizabeth sue uxoris, et Florencius et Iohannes fratres, liberi quondam Henrici Coelboerner, ab eodem et quondam Oda sua uxore, filia dicti quondam Zegeri pariter geniti, et Wolterus filius quondam Wolteri vanden Slammortel?, maritus et tutor legitimus ut asserebat Katherine sue uxoris, filie quondam Henrici Dovenen?, ab ipso et Margareta eius uxore, filia dicti quondam Zegeri pariter genite, pro se et dicta sua uxore atque Margareta predicta, medietatem eis ac eorum alteri per mortem quondam Reyneri filii quondam Zegeri Reyners soen predicti successione advolutam in quodam domistadio eiusdem quondam Reyneri, sito in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Coninx brugge versus pontem dictum Loefbrugge inter hereditatem Iohannis Vos sutoris ex uno et inter hereditatem Mette relicte quondam Arnoldi Gherijs ex alio, tendente a communi platea ad hereditatem Yngrami van Doerne, ut dicebat, hereditarie vendidit Theoderico filio quondam Hermanni Husken carpentatori ---, excepta medietate unius grossi antiqui et hereditarii census xl solidorum monete ex dicto domistadio solvenda ---. Datum in festo Aghate.
 Dictus Theodericus dictam medietatem domistadii predicti per totum ut supra supportavit Huberto filio quondam Michaelis van Espdonc ---. Datum sexta marcii, 4a post Iubilate.
Hubrecht Michielsz. van Espdonc
zijn dochter Mechteld, gehuwd met Hendrik Korstiaansz. van den Heuvel, 1474.03.17 >
Roelof Jansz. van den Borne 1484.03.11 >
Jan Pijnappel

Het huis hiernaast behoorde toe aan Roelof van der Hagen timmerman. In 1468 werd het gesitueerd tussen erf van Gosen Schaalmeker en erf van Hendrik Korstiaansz. Roelofs weduwe Katelijn droeg op 19 november haar vruchtgebruik in het goed over aan haar kinderen Roelof en Jan. Vervolgens kreeg zij het recht huis, erf en tuin toch gedurende haar leven te bezitten.
Op 31 juli 1469 droeg Katelijn haar vruchtgebruik in de huisplaats van een kamer en in de tuin en een deel van een huisplaats van twee gebinten van een huis en erf achter genoemde kamer, en ook nog een cijns en het recht om in een stenen gevel naast de kamer te bouwen over aan haar kinderen Roelof en Jan, die deze rechten vervolgens overdroegen aan Gosen Schaalmeker. Jan Jansz. Vos snijder had die rechten verkregen van Aart scheimaker, zoon van wijlen Aart Krey.1 Blijkens een belending was Jan Vos al in 1422 in het bezit van dit complex.2 Op 3 februari 1487 droeg Jan Hendriksz. van de Laar deze huisplaats over aan Lambrecht Lambrechtsz. Klaasz. Het was toen een huis, erf en tuin gelegen tussen erf van Jan Pijnappel en kamer of overig erf van genoemde Jan, strekkende van de openbare straat tot erf van wijlen Aart Ingramsz. goudsmid.3 Lambrecht Klaas timmerman komen we tegen in het cijnsboek van 1520.4

Bezitters
Aart Scheimaker, zoon van Aart Krey >
Jan Aartsz. Vos (al in 1422!) >
zijn dochter Katelijn, gehuwd met Roelof van der Hagen, vruchtgebruik huis 1468.11.19 en vruchtgebruik kamer enz. 1469.07.31 >
1.R. 1238, f. 248v.: Katherina filia quondam Iohannis dicti Vos sartoris, filii quondam Iohannis dicti Vos, relicta quondam Rodolphi vander Haghen, cum tutore, usumfructum sibi ut dicebat competentem in domistadio olim cuiusdam camere, site in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefsbrugge inter hereditatem quondam Iohannis dicti de Gestel ex uno et inter hereditatem Arnoldi de Beke, filii naturalis domini quondam Arnoldi de Beke, presbiteri, ex alio, atque in orto ac quadam parte domistadii olim duas ligaturas continente domus et aree retro dictam cameram olim site, nec non in hereditario censu quadraginta solidorum atque iure edificandi in edificio lapideo stenen gevel vocato, sito iuxta cameram seu domum iam dictas!, quos cameram, ortum ac partem duas ligaturas continentem necnon censum atque ius edificandi in dicto edificio lapideo dictus quondam Iohannes Vos sartor, filius quondam Iohannis dicti Vos, erga Arnoldum dictum Sceymaker, filium quondam Arnoldi dicti Krey, acquisierat, prout in diversis litteris, legitime supportavit Rodolpho et Iohanni fratribus, liberis quondam Rodolphi et Katherine predictorum ---. Testes, datum supra (= ultima iulii).
 Notum sit universis quod cum ita actum esset, constituti igitur coram scabinis infrascriptis Rodolphus et Iohannes premissa hereditarie supportaverunt Goesswino filio quondam Gerardi Scaelmeker, exceptis hereditario censu quatuor librarum monete Iohanni de Asperen atque hereditario censu quatuor librarum monete predicte Theoderico Lemmens, ut dicebat, e iure solvendis ---.
2.R. 1193, f. 13 (5 februari 1422). Het hiervoor genoemde perceel van Reinier Zeger Reiniers werd gesitueerd in vico tendente a ponte dicto Coninx brugge versus pontem dictum Loefbrugge inter hereditatem Iohannis Vos sutoris ex uno et inter hereditatem Mette relicte quondam Arnoldi Gherijs ex alio, tendente a communi platea ad hereditatem Yngrami van Doerne.
3.R. 1256, f. 456-456v.: Iohannes filius Henrici vanden Laer domistadium olim cuiusdam camere, site in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefsbrugge inter hereditatem quondam Iohannis dicti de Gestel ex uno et inter hereditatem Arnoldi de Beke, filii naturalis domini quondam Arnoldi de Beke, presbiteri, ex alio, atque ortum et quandam partem domistadii, olim duas ligaturas continentem, domus et aree retro dictam camere olim site, nec non hereditarium censum quadraginta solidorum atque ius edificandi in edificio lapideo, stenen gevel vocato, sito iuxta cameram seu domum iamdictas, supportatas Goeswino filio quondam Gerardi dicti Scaelmeker a Rodolpho et Iohanne fratribus, liberis quondam Rodolphi vander Hagen, prout in litteris, et quod domistadium nunc una domus, area et ortus esse dinoscitur, site ibidem inter hereditatem Iohannis Pijnappel ex uno et inter cameram seu hereditatem reliquam dicti Iohanni ex alio, tendentes a communi platea ad hereditatem heredum quondam Arnoldi Ygrams aurifabri, ut dicebat, hereditarie supportavit Lamberto filio quondam Lamberti Claessoen carpentatori hereditarius census quatuor librarum monete olim Iohanni de Asperen, nunc vero heredibus quondam Alardi Spijker annuatim exinde e iure solvendus ---. Testes Uden et Vucht. Datum 3a februarii.
4.ARA Brussel, Rekenkamers 45056 (cijnsregister 1520), f. 70v.: Lambertus Claes carpentator ix d.
haar zonen Roelof en Jan rechten kamer enz. 1469.07.31 >
Gosen Schaalmeker
zijn erfgenaam Jan Hendriksz. van de Laar 1487.02.03 >
Lambrecht Lambrecht Klaasz. timmerman

Op 23 januari 1463 transporteerde Klaas Jan Wysch (Wisse) Cortenz. een huis, erf en tuin tussen erf van Roelof van der Hagen en erf van Willem Peter Colen1 aan Gosen Geritsz. Schaalmeker. Het goed was gelegen tussen erf van Roelof van der Hagen en erf van Willem Petersz. Colen. Jan Wysch Corten had het verkregen van Gerit Mol van Driel.2
Gosen Schaalmeker verwierf nog verschillende andere aangrenzende percelen met hun bebouwing. Op 11 juli 1470 was sprake van twee huizen, een tuin en twee kameren3, op 10 december van dat jaar van twee huizen, een tuin en drie kameren.4 In 1484 bestond het goed uit huis, erf en tuin en drie kameren. Op 28 januari van dat jaar transporteerde Hendrik Jansz. van den Laar als man van Mechteld dochter van Jan Akarijns en krachtens testament van Gosen Schaalmeker en zijn vrouw Marie het goed aan hun zoon Jan. Het complex werd gesitueerd tussen bij de Lombardsbrug tussen erf van de heer van Venloon en er van wijlen Aart Ingramsz. van Deurne en anderen, strekkende van de openbare straat naar achter tot erf van Jacob van den Einde.5
1.De hier genoemde Peter (Woutersz.) Colen (van Oerle) komen we tegen in een schepenakte van 31 maart 1428, waarin Hubrecht Michielsz. van Espdonc een stuk erf aan hem overdroeg. Dit stuk erf was genomen uit het erf van Jordaan Aart Tielkens en werd gesitueerd tussen erf van wijlen de vrouwe van der Lake, later Jan Vos snijder, en erf van Jan Lucasz. Het stuk erf lag naast erf van Aart van Nuenrebeke (R. 1198, f. 53v.).
 Bezitters:
 Jordaan Aart Tielkens >
 zijn dochter Gijsbertke, gehuwd met Dirk van Haastrecht >
 Hubrecht Michielsz. van Espdonc 1428.03.31 >
 Peter Wouter Colen van Oerle
2.R. 1232, f. 271v.: Nicolaus filius quondam Iohannis dicti Wysch Corten soen domum, aream et ortum, sitos in Buscoducis ultra pontem dictum die Loefsbrugge et pontem dictum Coninc Cupers brugge inter hereditatem Rodolphi dicti vander Hagen ex uno et inter hereditatem Willelmi filii quondam Petri dicti Colen ex alio, quos domum, aream et ortum Iohannes dictus Wysch Corten soen erga Gerardum Mol de Driel acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Goeswino filio quondam Gerardi dicti Scaelmeker ---. Datum tercia ianuarii.
3.R. 1239, f. 97: Goeswinus Scaelmeker, filius quondam Gerardi, promisit Hillegondi filie Bartrami Jans soen quod ipse dabit et solvet eidem Hillegondi hereditarium censum decem aureorum denariorum peters communiter vocatorum --- anno quolibet hereditarie mediatim Omnium sanctorum et mediatim Philippi et Iacobi apostolorum --- de et ex duabus domibus et areis ac uno orto et duabus cameris ipsis finaliter coadiacentibus, sitis in Buscoducis iuxta locum dictum den Mortel inter hereditatem domicelli Pauli de Haestrecht, domini temporalis de Venloen, ex uno et inter hereditatem Henrici Corstiaens ex alio, tendentibus a communi vico retrorsum ad hereditatem dicti domicelli Pauli necnon hereditatem Arnoldi filii quondam Yngrami de Doernen aurifabri --- (volgen voorwaarden). Datum supra (= xi iulii).
4.R. 1240, f. 197v.: Goeswinus Scaelmeker, filius quondam Gerardi, promisit Hillegondi filie Bertrami Jans soen et Iohanni filio Everardi Coelen de Beerlikem quod ipse dabit et solvet dicte Hillegondi quoadvixerit ipsa! et post eius decessum dicto Iohanni si supervixerit hereditarium censum duodecim aureorum denariorum peter communiter vocatorum --- anno quolibet hereditarie mediatim Philippi et Iacobi apostolorum et mediatim Omnium sanctorum --- de et ex duabus domibus et areis ac uno orto et tribus cameris ipsis finaliter adiacentibus, sitis in Buscoducis iuxta locum dictum den Mortel inter hereditatem domicelli Pauli de Haestrecht, domini temporalis de Venloen, ex uno et inter hereditatem Henrici Corstiaens ex alio, tendentibus a communi vico retrorsum ad hereditatem dicti domicelli Pauli necnon hereditates Arnoldi filii quondam Yngrami de Doernen aurifabri ---, tali annexa condicione quod dictus venditor statim post obitum dictorum Hillegondis et Iohannis amborum, non prius, ad dictum Goeswinum si protunc vixerit in humanis, alioquin ad veros heredes et successores eiusdem Goeswini protunc in humanis agentes hereditario iure succedet et devolvetur ---. Datum xa decembris.
5.R. 1253, f. 210: Henricus vanden Laer, filius quondam Iohannis vanden Laer, tamquam maritus legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filie quondam Iohannis Akarijns, et ipsa cum eodam tamquam cum tutore, potentes ad infrascripta ut apparebat vigore testamenti ac ultime voluntatis quondam Goeswini Schaelmeker et Marie sue uxoris ac quarundam aliarum litterarum ipsis desuper grossarum, domum, aream et ortum et tres cameras cum earum fundis, iuribus et attinentiis dictorum quondam Goeswini et Marie coniugum, sitos in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombarde brugge inter hereditatem domini de Venloen ex uno et inter hereditatem heredum quondam Arnoldi Ingrami de Doernen aurifabri
Op 20 juli van datzelfde jaar 1484 transporteerde Aart Aartsz. van (den) Dijk zijn recht hierop - er is nu zelfs sprake van zes kameren - aan Jan Hendriksz. van de Laar. Het complex werd nu gesitueerd tussen erf van de erfgenamen van de heer van Venloon en tussen erf van Jan Pijnappel. Aart van Dijk had zijn recht blijkens deze akte geërfd van Marie weduwe van Gosen Schaalmaker.1
Jan Hendriksz. van de Laar ten slotte droeg het hiervóór genoemde recht om in de stenen gevel te bouwen en drie kameren op 16 januari 1501 over aan Hendrik van Deventer. De kameren werden gesitueerd tussen erf van de heer van Venloon aan de ene zijde en het achterste einde en tussen erf van Lambrecht - hier is een ruimte opengelaten; bedoeld is Lambrecht Lambrecht Klaasz. timmerman - aan de andere zijde, zich uitstrekkende met het voorste eind aan de openbare straat.2 Hendrik van Deventer vestigde hier bij testament van 9 november 1514 een mannengasthuis, waarvan de bebouwing in het begin van de zeventiende eeuw werd opgenomen in het jezuïetenklooster.3

Bezitters:
Gerit Mol van Driel
Klaas Wysch Cortenz. 1463.01.23 >
Gosen Schaalmeker >
zijn weduwe Marie >
Hendrik van de Laar 1484.01.28 en Aart Aartsz. van Dijk zijn recht 1484.07.20 >
Jan Hendriksz. van de Laar 1501.01.16 >
Hendrik Hermansz. van Deventer

Hiernaast stond het huis van Jordaan Aart Tielkens, die gehuwd was met Mechteld Gijsbrechtsdochter van Doorn (de Spina). Jordaan werd schepen van de stad, de eerste keer in
 et quorundam! ex alio, tendentes a communi vico retrorsum usque ad hereditatem Iacobi vanden Eynde, quemadmodum? premissa ibidem sita sunt; insuper quecumque bona dicti quondam Goeswini Scaelmeker mobilia et immobilia, hereditarie atque parata, in quibus dictus quondam Goeswinus decessit, nunc ad eosdem Henricum et Mechteldem coniuges spectantia, hereditarie supportaverunt Iohanni eorum filio ---. Datum xxviii ianuarii.
1.R. 1253, f. 117v.: Arnoldus vanden Dijck, filius quondam Arnoldi vanden Dijck, totam partem et omne ius ad ipsum ut dicebat spectantes in domo, area et orto et sex! cameris sibi contigue adiacentibus, sitis in Buscoducis prope pontem Lombardorum inter hereditatem heredum quondam domicelli Pauli de Haestrecht, domini temporalis de Venloen, ex uno et inter hereditatem Iohannis Pijnappel, tendentibus ab hereditate heredum quondam Arnoldi Ygrams ad communem plateam, que pars et ius dicto Arnoldo per et post mortem Marie relicte quondam Goeswini Scaelmeker iure successionis hereditarie advolute sunt, ut dicebat, hereditarie supportavit Iohanni filio Henrici vanden Laer ---. Testes Pels et Vladeracken. Datum supra (= xx iulii).
2.R. 1269, f. 225-225v.: Notum sit universis quod cum domicellus Paulus de Haestrecht, dominus temporalis de Venloen, quoddam edificium, stenen gevel vocatum, consistens in fine porte sue versus cameras Goeswinin Scaelmeker, simul cum iure edificandi in eodem edificio, heredarie supportasset dicto Goeswino; et cum deinde Henricus vanden Laer, filius quondam Iohannis vanden Laer, et Mechteldis eius uxor legitima, filia quondam Iohannis Akarijns, potentes ad infrascripta vigore testamenti ac ultime voluntatis quondam Goeswini Scaelmeker et Marie sue uxoris ac quarundam aliarum litterarum ipsis desuper concessarum, domum, aream et ortum et tres cameras cum earum fundis, iuribus et attinentiis olim dictorum quondam Goeswini et Marie coniugum, sitos in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombaertsche brugge inter hereditatem domini de Venloen ex uno et inter hereditatem heredum quondam Arnoldi Yngrami de Doernen aurifabri et quorundam aliorum ex alio, tendentes a communi vico retrorsum usque ad hereditatem Iacobi vanden Eynde, insuper quecumque bona dicti quondam Goeswini Scaelmeker, mobilia et immobilia, hereditaria atque parata, in quibus dictus quondam Goeswinus decessit, depost vero ad eosdem Henricum et Mechteldem coniuges spectantes, hereditarie supportassent Iohanni eorum filio, prout in diversis litteris; constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Iohannes filius dictorum quondam Henrici vanden Laer et Mechteldis sue uxoris supradictum edificium, stenen gevel vocatum, simul cum iure edificandi in eodem, atque dumtaxat dictas tres cameras cum earum fundis, iuribus et attinenciis, quequidem tres camere cum suis iuribus et attinenciis predicte pronunc site sunt ibidem inter hereditatem seu domum domini de Venloen ex uno et fine posteriori et inter hereditatem Lamberti halve regel opengelaten; niet ingevuld) ex alio et tendunt cum fine anteriori ad communem plateam ibidem, prout pronunc dicte tres camere cum suis iuribus et attinentiis ibidem site sunt ut dicebat, hereditarie supportavit Henrico de Daventria, filio quondam Hermanni de Daventria, simul cum dictis litteris, aliis, instrumentis et iure occasione --- hereditarius census sex librarum monete heredibus quondam Rodolphi die Bever et hereditarius census sex librarum monete predicte domino de Venloen annuatim exinde solvendus ---. Testes Berkel et Elmpt. Datum supra (= xvita ianuarii).
3.Van Sasse van Ysselt, Voorname huizen en gebouwen II, 60-62.
1389/90.1 Ook Gijsbrecht van Doorn was schepen geweest, het eerst in 1339/40.2 Jordaans en Mechtelds dochter Gijsbertke trouwde met Dirk van Haastrecht, heer van Venloon (Loon op Zand). Ook Dirk was schepen van de stad, voor het eerst in 1417/18.
Mechteld was, toen zij met Dirk trouwde, waarschijnlijk weduwe van Jan Monic. Uit dit huwelijk worden twee kinderen genoemd: Jan en Aart. Op 5 januari 1444 vond er een erfdeling plaats tussen deze Jan en Aart en Dirks zoon Pauwels, waarbij deze laatste, eveneens heer van Venloon, het complex verwierf. Naar hem werd de bebouwing aldaar het Huis van Loon genoemd. Het ontwikkelde zich tot een van de grote stadshuizen. Later ging dit onderdeel uitmaken van het jezuïetenklooster.3 In 1502 werd het complex omschreven als een huys, erffenisse met allen hoeren tymmeringen, huysinge ende camere daerop staende, geheiten dat huys van Loen, gelegen bijnnen der stad van ’s Hertogenbossche in den straeten van dat men gaet van den Loefsbrugsken voirts totter brugge toe geheiten die Lombaertsche brugge, metter eenre zyden tusschen erffenisse der erfgenamen wilneren Roelofs die Bever ende metter andere zyden tusschen erffenisse Jacobs van den Eynde, der erfgenamen wilneren Cornelis Coelborner ende meer anderen, streckende metten enen eynde van den water geheiten die Dyeze, daeraen vloyende, totter voirs. straten toe metten anderen eynde.4 Het hoofdhuis stond waarschijnlijk achter op het perceel aan de Dieze. Later, in 1615, verrees hier de jezuïetenkerk, die vervolgens de Statenzaal van de provincie werd.5

Bezitters:
Jordaan Aart Tielkens >
zijn dochter Mechteld, tr. Dirk van Haastrecht, heer van Venloon >
hun erfgenamen 1444.01.05 >
Pauwels Dirksz. van Haestrecht, heer van Venloon

Het complex van Aart van Beek in de Mortel

Het gebied ten westen van de straat De Mortel
Op 14 januari 1391 verhuurde Aart Aartsz. zijn woonhuis in de Mortel aan Dirk Rover, ridder. Dit woonhuis stond in de Mortel naar de kant van erf van Jan van Brolyo toe. Dit laatste erf betrof, zoals nog zal blijken, het oostelijk deel van het latere Hof van Zevenbergen (Keizerstraat 4-10). Verder werd verhuurd de stal die aan het woonhuis grensde in de richting van de Markt, dit wil zeggen ten noorden daarvan. Voorts ook de tuin aan de andere kant, dus de zuidzijde, richting Beurde. Deze tuin lag tussen het huis en een aldaar stromend water. Het gaat hierbij om een onderdeel van de Kleine Vughterstroom. De tuin was omgeven door een, gelijnt, een houten schutting. Verder maakte nog deel uit van het woonhuis een keuken en een hooiberg (tigurium dictum berch), gelegen tegenover het woonhuis naast het erf van Jan Venneken. Waarschijnlijk lag deze laatste bebouwing aan de andere zijde van de straat De Mortel, dus in de richting van de Verwerstraat. Het is moeilijk uit te maken of het hierbij om de bebouwing ter plaatse van de latere synagoge of het ten zuiden hiervan staande huis De Oude Munt is gegaan.6
Kort tevoren, op 24 september 1390, had Aart van Beek een stuk erf in de Mortel verkocht aan Aart van Schijndel, zoon van wijlen heer Leunis van Schijndel. Dit stukje erf was gelegen over de brug van Aart tussen het water en overig erf van Aart. Het strekte zich uit vanaf de brug tot aan erf van de begarden, die zoals bekend gevestigd waren achter de Verwerstraat, en wel de nummers 45 en 47.7 De rest van het complex zal zich bevonden hebben ten zuiden van het latere Keizerstraat 2 tot en
1.Jacobs, Justitie en politie, 260.
2.Ald., 257.
3.Van Sasse van Ysselt, Voorname huizen en gebouwen II, 62-66.
4.Ald., 62-63.
5.P.Th.J. Kuyer, Rondom en in het gouvernement (’s-Hertogenbosch 1973) stelt, ald. p. 47, dat de bebouwing die er stond door de jezuïeten werd gesloopt, maar het is de vraag of dit wel volledig het geval is geweest. Waarschijnlijk zijn er nog wel delen van de middeleeuwse bebowuwing aanwezig.
6.Zie Van Sasse van Ysselt, De voorname huizen en gebouwen II, 50-59.
7.Van Sasse van Ysselt, Voorname huizen en gebouwen II, 222.
met het terrein van de latere synagoge.1 Uit een schepenakte van 3 maart 1414 blijkt verder dat de straat die op den duur het Mortelstraatje en De Mortel werd genoemd door Aart van Beek was aangelegd. In deze akte droeg Filips van Heesterbeke een cijns van 3 pond, die Ingram zoon van wijlen Robbrecht van Deurne aan Filips beloofd had uit het woonhuis van wijlen Aart, over aan dezelfde Ingram.2 De mededeling van Van Sasse van Ysselt in zijn boek De voorname huizen en gebouwen van ’s-Hertogenbosch (II, blz. 50), onder verwijzing naar een inventaris van het jezuïetenklooster van Bondam, dat de straat tussen 1481 en 1485 werd aangelegd, is dus onjuist.
Zoals uit latere akten blijkt, was Ingram de schoonzoon van Aart van Beek. Hij was gehuwd met zijn dochter Heilwig. Aart had nog een andere dochter: Luitgard. Van de bezittingen van Aart in deze omgeving is een deel in het bezit gekomen van Ingram van Deurne, een ander deel van Luitgard van Beek.
Aart van Beek had hier al in 1383 bezittingen. Op 7 december van dat jaar verkocht Reinier Zegersz. van Vught een cijns van 5 pond uit een huisje, een ‘kamer’, met zijn ondergrond in de Keizerstraat of Waterstraat - de akte spreekt van de straat strekkend van de Loefsbrug tot de Koningsbrug - tussen erf van Jan Venneken en erf van Aart. Er was sprake van een gemeenschappelijke tussenmuur.3
Zijn schoonzoon Ingram van Deurne was hierna bezitter van het woonhuis van Aart. Op 19
1.R. 1178, blz. 340: Dictus Arnoldus, filius naturalis (= Arnoldi de Beke, presbiteri), suam domum habitacionis et aream sitam in Buscoducis in loco dicto die Mortel in latere versus hereditatem Iohannis de Brolyo, in qua scilicet domo dictus Arnoldus ad presens moratur, atque stabulum eidem domo adiacente in latere eiusdem domus versus Forum de Buscoducis, et cum orto eidem domo adiacente in latere eiusdem domus versus locum dictum Buerde inter eundem domum ex uno et inter aquam ibidem currentem ex alio, prout huiusmodi ortus infra vallum dictum gelijnt ibidem est situs, atque domum dictam koeken atque stabulum ac tigurium dictum berch dicti Arnoldi, sitas ibidem in opposito dicte domus habitacionis iuxta hereditatem Iohannis Venneken, ut dicebat, locavit domino Theoderico Rover, militi, ab eodem ad spacium sex annorum post festum nativitatis Iohannis proxime futurum sine medio sequentium libere possidendam ---, tali condicione via consistens ibidem en tendens ibidem a communi platea retrorsum ultra pontem ibidem et ad ortum magnum dicti Arnoldi erit et permanebit dicto spacio? precedente communis dicto domino Theoderico, dicto Arnoldo et quibuscumque aliis personis qui aliquid vel aliqua conducerunt vel conducet seu acquisierunt vel acquisieret de hereditatibus et ortis dicti Arnoldi ibidem sitis tociens quotiens eis videbunt expedire huiusmodi via utendi. Testes, datum supra (= sabbato post octavas Epiphanye).
2.R. 1188, f. 366: Philippus de Heesterbeke hereditarium censum trium librarum monete, quem censum Yngramus filius quondam Robberti van Duerne promiserat se soluturum dicto Philippo hereditarie nativitatis Domini de et ex domo cum suo fundo et area sibi adiacente, sita in Buscoducis in mansione dicta die Mortel quondam Arnoldi de Beke inter hereditatem quondam Iohannis de Brolyo, nunc Heymerici Groy, quadam communi aqua interiacente, ex uno et inter viam ibidem ordinatam de hereditate eiusdem quondam Arnoldi ex alio, prout in litteris, hereditarie supportavit dicto Yngramo ---. Datum tercia die marcii, sabbato post Invocavit.
3.Rijke Claren 43, f. 213: Reynerus dictus Zegers zoen de Vucht promisit ut debitor principalis se daturum et soluturum Arnoldo dicto de Beke, filio naturali quondam domini Arnoldi de Beke, presbiteri, annuum et hereditarium censum quinque librarum monete --- anno quolibet hereditarie mediatim in festo nativitatis Domini et mediatim in festo nativitatis beati Iohannis Baptiste --- ex quadam camera cum eius fundo, sita in Buscoducis in vico tendente a vico dicto Loefs brugge versus pontem dictum des Conincs brugge inter hereditatem Iohannis dicti Venneken ex uno latere et inter hereditatem dicti Arnoldi ex alio latere, que camera cum dicto eius fundo predictam ante iuxta dictum vicum vigintiquinque pedatas terre atque retro in fine eiusdem viginti et dimidiam pedatas terre in latitudine continet atque in longitudine sexagintatres pedatas et terciam partem unius pedate continet, mensurando eciam in premissis medietatem parietis lapidei consistentis inter predictam cameram et inter predictam hereditatem eiusdem Arnoldi de Beke, atque ex medietatibus parietum consistentium ab utroque latere dicte camere, scilicet ex illis medietatibus que site sunt versus cameram predictam, quam cameram predictam cum dicto eius fundo atque cum medietatibus dictorum parietum predictis dictus Reynerus pro uno antiquo grosso hereditarii census domino nostro duci annuatim prius exinde de iure solvendo atque pro predicto censu quinque librarum dicte monete erga predictum Arnoldum coram scabinis infrascrtiptis ad censum acquisierat ---. Testes ---. Datum in octavis beati Andree apostoli anno Domini millesimo tricentesimo octuagesimotercio. Een cijns van 40 schellingen uit de cijns van 5 pond uit deze kamer werd op 20 februari 1403 door Hendrik van Beek, zoon van Aart, overgedragen aan de Clarissen. Hendrik had de cijns van 5 pond op 12 november 1394 (Rijke Claren 43, f. 213v.-214) verkregen van zijn vader (R. 1183, f. 46v.; Rijke Claren 43, f. 214-214v.). Op dezelfde datum beloofde Hendrik de schepenakte van 7 december 1383 te zullen bewaren en over te zullen geven aan de Clarissen wanneer zij die in rechte nodig zouden mogen hebben (Rijke Claren 43, f. 212v.-214v.)
november 1416 verkocht hij een cijns van 4 pond uit zijn huis, erf en tuin, gelegen in den Mortel tussen erf van Heimerik Groy - dit was de rechtsopvolger van Jan van Brolyo - met het daar stromende water ertussen en tussen erf van Luitgard van Beek, zijn schoonzus, aan de andere zijde.1
Op 8 januari 1421 werd het huis door Ingram als man van Heilwig van Beek verkocht aan Peter zoon van wijlen Dirk van Heinis (Hynen). Het goed werd omschreven als een stenen huis en erf en ledig erf aan de noordzijde daarnaast. Het werd gesitueerd in de Mortel tussen erf van Heimerik Groy met een stromend water ertussen en tussen een weg of plaets waarlangs men van de brug naast het huis naar de straat gaat die naar de Markt leidt. Ingram behield naast zijn huis een strook van anderhalve voet (43 cm) voor zijn dakdrup en samen met zijn schoonzus Luitgard van Beek het gebruiksrecht van de poort en de weg. Voorwaarde was verder onder meer dat de toekomstige bezitters van het verkochte op het ledig erf zonder toestemming van Ingram geen bebouwing mochten plaatsen waardoor aan het huis van Ingram licht en lucht zou worden ontnomen dichter dan 20 voet (5,74 m) bij dit huis. Ingram mocht openslaande vensters hebben naar het ledig erf toe.
Op dezelfde datum droeg vervolgens Peter van Heinis het complex overaan zijn broer Dirk.2 Al korte tijd later, op 28 februari 1422, werd het goed door hem getransporteerd aan Hendrik van Langveld,3 die het op zijn beurt op 22 december van hetzelfde jaar overdroeg aan Willem Willem
1.R. 1190, f. 300v.: Yngramus filius quondam Robberti van Duernen hereditarie vendidit Theoderico de Mosa, filio quondam Iohannis de Vucht, hereditarium censum quatuor librarum monete, solvendum hereditarie mediatim nativitatis Iohannis et mediatim nativitatis Domini deinde sequentis de et ex domo, area et orto dicti venditoris, sitis in Buscoducis in loco dicto inden Mortel inter hereditatem Heymerici Groy, aqua tamen ibidem fluente interiacente, ex uno et inter hereditatem Luytgardis de Beke ex alio, prout domus, area et ortus predicta ibidem siti sunt et ad dictum pertinet! venditorem --- (volgt voorwaarde). Datum xxix novembris.
2.R. 1192, f. 32v.: Yngramus filius quondam Robberti van Doernen, maritus et tutor Heilwigis sue uxoris, filie quondam Arnoldi de Beke, filii quondam domini Arnoldi de Beke, presbiteri, domum lapideam et aream ac vacuam hereditatem sibi versus aquilonem immediate adiacentem, sitas in Buscoducis in loco dicto die Mortel inter hereditatem Heymerici Groy, quadam aqua ibidem fluente interiacente, ex uno et inter communem viam seu plateam dictam een plaets, qua itur a ponte iuxta eandem domum sito et a dicta domo versus communem vicum tendentem versus Forum ex alio, tendentes a communi aqua seu fossato communi opidi de Buscoducis usque ad reliquam domum dicti Ygrami ibidem consistentem, interiacente tamen et dicto Ygramo exinde reservato continue iuxta domum suam ad longitudinem eiusdem domus pro stillicidio eiusdem domus una et dimidia pedatis in latitudine, atque ius utendi dicta communi via atque porta ibidem iuxta communem vicum consistentem similiter dicto Ygramo et Luytgarde de Beke, ut dicebat, hereditarie vendidit Petro de Hynen, filio quondam Theoderici de Hynen --- , excepto hereditario censu trium grossorum antiquorum minus uno denario, quem censum dictus Yngramus ex sua hereditate integra ibidem sita in abbrevacionem sex antiquorum grossorum minus duobus denariis ex integra hereditate quondam Arnoldi de Beke ibidem sita solvendorum, ut dicebat, talibus condicionibus annexis quod dictus Petrus hereditarium? censum trium antiquorum grossorum minus? medietate? de medietate que ad dictum Ygramum spectare consueverat in conservando portam predictam exnunc deinceps sic solvet et conservabit quod dicto Ygramo aut possessori pro tempore relique hereditatis dicti Ygrami super se et bona sua dampna exinde non eveniant in futurum, atque quod dictus Petrus in dicta vacua hereditate inter primodictam domum et reliquam domum dicti Ygrami sita non poterit sine licencia et consensu dicti Ygrami aliqua edificia per que illuminacio domus Ygrami in ingressus aeris et luminis impedietur? in eadem ponere, facere, poni, confeci aut situare propinquius domui Ygrami predicti quam in distancia viginti pedatarum a domo Ygrami sepedicta ---. Item condicionatum est, si contigerit dictum Ygramum alicui alteri persone ius viandi perpetuum per dictam viam dare aut concedere, extunc idem Petrus alleniabitur in conservatione sue partis porte predicte secundum estimationem quatuor proborum virorum, duorum scilicet ad hoc a dicto Ygramo et duorum a dicto Petro ad hoc eligendorum ---. Eciam condicionatum est quod dictus Ygramus retinebit sibi potestatem aperire suas fenestras de domo sua in qua ad presens moratur, ext..us? versus hereditatem vacuam predictam ---. Datum octava ianuarii.
 Arnoldus filius dicti Ygrami prebuit et reportavit. Testes, datum supra. ---.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset ut in contractu he..? precedenti, constitutus dictus Petrus dictam domum ac hereditatem cum suis attinentiis hereditarie supportavit Theoderico suo fratri ---. Testes, datum supra.
3.R. 1193, f. 58-58v. nw.: Notum sit universis quod cum Yngramus filius quondam Rubberti van Doernen, maritus et tutor legitimus ut asserebat Heylwigis sue uxoris, filie quondam Arnoldi de Beke, filii naturalis quondam domini Arnoldi de Beke, presbiteri, domum lapideam et aream ac vacuam hereditatem sibi versus aquilonem immediate adiacentem, sitas in Buscoducis in loco dicto die Mortel inter hereditatem Heymerici Groy, quadam aqua ibidem fluente interiacente, ex uno et inter communem viam seu plateam dictam een plaets qua itur a ponte iuxta eandem domum sito versus communem vicum tendentem versus Forum ex alio, tendentes a communi aqua seu fossato communi opidi de Buscoducis usque ad reliquam domum dicte Yngrami ibidem consistentem, interiacente dempto tamen et dicto Yngramo exinde reservato continue iuxta
Aart Tielkens.1 In 1490 was het complex in het bezit van Gerit Gerit Gerit Batenz. Deze was een erfgenaam van Willem Tielkens, die gehuwd was geweest met Gerits grootmoeder Gudeld.2 Gerit droeg het complex op 18 februari 1490 over aan Hendrik Loden. Het goed werd echter genaast door Gerit van Eik, priester, die het vervolgens voor zes jaar aan Hendrik verhuurde.3 Het is hierna toch ook erfelijk in het bezit gekomen van Hendrik Loden. Zijn erfgenamen droegen het op 19 juni 1499 over aan Jan Jansz. Kanapart.4

Bezitters:
Emond Rover >
Jan van Hellu >
zijn dochter Margriet, gehuwd met Herman Winriksz. van Oyen >
Aart Aartsz. van Beek >
zijn dochter Heilwig, gehuwd met Ingram van Deurne, 1421.01.08 >
Peter Dirksz. van Heinis 1421.01.08 >
zijn broer Dirk Dirksz. van Heinis 1422.02.28 >
Hendrik van Langveld 1422.12.22 >
 domum suam ad longitudinem eiusdem domus pro stillicidio eiusdem domus una et dimidia pedatis in latitudine, atque ius utendi dicta communi via atque porta ibidem iuxta communem vicum consistentem similiter dicto Yngramo et Luytgardi de Beke, ut dicebat, legitime et hereditarie vendidisset Petro dicto vam Hynen, filio quondam Theoderici, prout in litteris; cumque vero dictus Petrus van Hynen dictam domum lapideam, aream et vacuam hereditatem cum suis attinentiis hereditarie supportasset Theoderico suo fratri, filio dicti quondam Theoderici, prout in litteris, aliis litteris, constitutus igitur coram scabinis dictus Theodericus van Hynen dictum domum lapideam et aream et vacuam hereditatem hereditarie supportavit Henrico van Langvelt predicto ---. Testes, datum supra (= ultima februarii, sabbato post Esto michi).
1.R. 1193, f. 279 nw.: Henricus de Lancvelt, filius quondam Henrici die Gruyter, domum lapideam et aream ac vacuam hereditatem eidem domui versus aquilonem adiacentem, sitam in Buscoducis in loco dicto die Mortel inter hereditatem Heymerici Groy, aqua interfluente ex uno et inter viam qua itur a ponte ibidem iacente versus communem vicum ex alio, tendente a communi aqua seu fossato opidi de Buscoducis usque ad reliquam domum Yngrami predicti, stillicidio tamen quodam interiacente, atque ius utendi communi via predicta atque quadam porta ibidem iuxta communem vicum sita, similiter dicto Yngramo et Luytgardi de Beke, supportatos Henrico de Lancvelt predicto a Theoderico de Hijnen, filio quondam Theoderici, prout in litteris, hereditarie supportavit Willelmo filio Willelmi Arnoldi Tielkini ---. Quo facto Iohannes dictus Rovers soen institor atque Iohannes filius quondam Henrici Oerden? soen super premissis et iure ad opus eiusdem Willelmi hereditarie renunciavit ---. Datum in crastino Thome.
2.R. 1242, f. 216v. (16 augustus 1473): Notum sit universis quod cum Gerardus filius quondam Gerardi Bathensoen palam recognovisset et super omnia et habenda magistro Henrico Appels ad opus omnium quorum interest aut intererit in futurum promississet quod ipse huiusmodi bona que domicella Guedeldis relicta quondam Willelmi filii quondam Willelmi Arnoldi Tyelkini, eius ava, dicto Gerardo reliquerat ---.
3.R. 1259, f. 257: Gerardus filius quondam Gerardi, filii quondam Gerardi dicti Bathen soen, domum lapideam, aream ac vacuam hereditatem eidem domui versus aquilonem adiacentem, sitam in Buscoducis in loco dicto die Mortel inter hereditatem Heymerici Groy, aqua interfluente, ex uno et inter viam qua itur a ponte ibidem iacente versus communem vicum ex alio, atque ius utendi communi via predicta atque quadam porta ibidem iuxta communem vicum sita, simul cum Ygramo de Doerne et Luytgardi dicte de Beke, supportatas Willelmo filio Willelmi Arnoldi Tielkini ab Henrico dicto de Lancvelt, prout in litteris, hereditarie supportavit Henrico Loeden --- census fundi ad quinque stuvers taxatus domino duci, hereditarius census septem florenorum Renensium Rutgero Berwout annuatim exinde e iure solvendus ---. Datum xviii februarii.
 Dominus Gerardus de Eycke, presbiter, canonicus in Buscoducis, prebuit istos duos ...?, Henricus cessit, et optinuit. Testes Vladeracken, Pelgrom. Datum xiii marcii, sabbato post Reminiscere.
 Dictus dominus Gerardus premissa et subscripta locavit Henrico ad spacium sex annorum proxime sequentium pro xviii Renensibus? annuatim solvendis ---. Testes, datum supra.
4.R. 1267, f. 389: Elisabeth relicta quondam Henrici Loden, domicella Heilwigis relicta quondam magistri Gerardi Boest, filia quondam Arnoldi Dicbier, Hermannus, Henricus et Willelmus fratres, liberi quondam Willelmi de Os, ab eodem et quondam domicella Mechtelde eius uxore pariter genitis, cum tutore, domum lapideam, aream ac vacuam hereditatem, eidem domui versus aquilonem adiacentem, sitas in Buscoducis in loco dicto den Mortel inter hereditatem olim Heymerici Groy, aqua interfluente, ex uno et inter viam qua itur a ponte ibidem iacente versus communem vicum ex alio, atque ius utendi communi via predicta atque quadam porta ibidem iuxta communem vicum sita, similiter Yngrammo de Doerne et Luytgardi dicte de Beke dudum supportatas dicto Henrico Loden a Gerardo filio quondam Gerardi, filii quondam Gerardi dicti Bathen soen, prout in litteris, hereditarie supportaverunt Iohanni Kanapart, filio Iohannis, simul cum dictis litteris, aliis, instrumento et iure ---. Testes, datum supra (= xixa iunii).
Willem Willem Aart Tielkens, gehuwd met Gudeld
hun erfgenaam Gerit Gerit Gerit Batenz. 1490.02.18 >
Hendrik Loden
Gerit van Eycke door naasting
Hendrik Loden
zijn erfgenamen 1499.06.19 >
Jan Jansz. Kanapart

Mogelijk ook afkomstig uit de boedel van Aart van Beek, in ieder geval van zijn schoonzoon Ingram van Deurne, waren enkele andere goederen. Een huis en erf in de Mortel, een stukje erf aldaar en de helft van de tuin van Ingram viel bij een erfdeling tussen Ingrams kinderen Aart en Zeynse op 16 november 1433 ten deel aan Zeynse. Het huis was gelegen tussen erf van Gudeld weduwe van Willem Aart Tielkens en tussen het stukje erf en een erf van wijlen Aart Noyde. Het stukje erf werd gesitueerd tussen het huis en erf en tussen erf van Mathijs Brouwers, onder voorbehoud van het gebruik van een weg aldaar op het stukje erf vanaf de openbare weg tot aan een toilet over het water en uitgezonderd het gebruik van dat toilet, welke gebruiksrechten tot een ander huis en erf aldaar behoorden, dat bij die gelegenheid aan Zeynses broer Aart werd toebedeeld. Van de tuin kreeg Zeynse de helft die gelegen was naar erf van Luitgard dochter van Aart van Beek toe en Aart de helft die gelegen was naar de Beurdsestraat toe. Aart kreeg verder een huisje met zijn ondergrond en een daaraanliggend tuintje tegenover het eerder genoemde huis en erf, samen met het gebruik van de weg en het toilet. Tot het gebruiksrecht van laatstgenoemde helft van de tuin behoorde ook het gebruik van weg over de andere helft van de tuin en het gebruik van een poort, weg en brug aldaar. Bij deze laatste zal het om de poort bij de Keizerstraat, om de straat De Mortel en de daar liggende brug over de Dieze zijn gegaan.1
Onder meer deze goederen werden op 11 maart 1443 gedeeld door Peter en Luitgard kinderen van Zeynse en Hendrik Schelleke en Geertruid dochter van Zeynse en Jan Watermaal. Geertruid was gehuwd met Jan Berendsz. van Overmeer. Bij de deling vielen aan Luitgard het huis en erf en het
1.R. 1204, f. 136v.: Arnoldus et Zeynsa, liberi quondam Yngrami de Doerne, cum tutore, palam recognoverunt se divisionem hereditariam mutuo fecisse de quibusdam bonis ad se ut dicebant spectantibus.
 Mediante qua divisione quedam domus et area sita in Buscoducis in loco dicto inden Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondam Willelmi Arnoldi Tyelkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis infrascriptam et hereditatem quondam Arnoldi Noyde ex alio; insuper iamdictam particulam hereditatis contigue iuxta iamdictam domum et aream consistentem ex uno et inter hereditatem Mathye Braxatoris ex alio, dempto iure utendi quadam via ibidem ordinata in iamdicta particula hereditatis a communi via ibidem existente usque ad quandam cloacam ibidem supra communem aquam consistentem, necnon dempto iure utendi iamdicta cloaca, que iura pertinere tenebuntur ad quamdam aliam domum et aream ibidem sitam in porcione sequente conscribendam; insuper medietas cuiusdam orti dicti quondam Yngrami sitam ibidem in dicto loco die Mortel vocatam! ultra communem aquam ibidem fluentem, videlicet dividendo dictum ortum in duas partes equales per eius latitudinem, videlicet illa medietas que sita est versus dictam communem aquam, dempto tamen (de)a dicta medietate iure utendi quadam via, novem pedatarum in latitudine sumenda de dicta medietate orti predicti versus hereditatem Luytgardis filie quondam Arnoldi de Beke, quod ius iamdictum pertinere tenebitur ad reliquam medietatem eiusdem orti infrascriptam; en een beemd, prout in litteris, simul cum iure utendi quadam porta et via ac ponte ibidem consistente similiter aliis hominibus ius in eisdem habentibus, dicte Zeynse cesserunt in partem ---.
 Et mediante qua divisione quedam domuncula cum suo fundo et quidam ortulus eidem coadiacens, sita ibidem in dicto loco die Mortel vocato, in opposito primodicte domus et aree, simul cum iure utendi primodicta via et cloaca; insuper reliqua medietas secundodicti? orti ibidem consistentis ultra dictam aquam, videlicet illa medietas dicti ortique sita est versus vicum dictum die Boertschestraet, simul cum iure utendi supradicta via novem pedatarum in supradicta alia medietate eiusdem orti, necnon cum iure utendi dictis porta, via et ponte ibidem consistente ut prefertur aliis hominibus ius in eisdem habentibus en vier morgen land; item hereditarius census trium librarum et quindecim solidorum monete, quem censum Arnoldus filius quondam Gerisii de Os promiserat se daturum et soluturum quondam Yngramo predicto hereditarie mediatim nativitatis Domini et mediatim nativitatis beati Iohannis Baptiste ex quodam domistadio sito in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombartschebrugge, quod domistadium dictum Arnoldum filium quondam Gerisii erga dictum Yngramum pro dicto censu ad censum acquisierat, prout in litteris, dicto Arnoldo filio Yngrami cesserunt in partem --- (volgen voorwaarden). Datum xvi novembris.
 a Dit woord ontbreekt.
stukje erf ten deel, aan Jan Berendsz. de helft van de tuin.1
Het huis en erf en stukje erf werden vervolgens op 30 oktober 1447 door Luitgard verkocht aan haar broer Peter en aan Jan Berendsz. van Overmeer.2 Dezen droegen vervolgens het complex over aan Aart Ingramsz. van Deurne, die op 31 oktober 1454 ook de helft van de tuin verwierf.3 Hiermee waren beide delen weer in één hand, maar op 14 december 1463 transporteerde Aart van Deurne het huis en erf en stukje erf aan Gerit Gerit Batenz. Het huis was inmiddels overigens afgebroken; er werd gesproken van een huisplaats van een vroeger huis en erf.4 Deze huisplaats met de inmiddels
1.R. 1213, f. 65v.: Petrus et Luytgardis eius soror, liberi quondam Henrici Scelleken, ab eodem quondam Henrico et quondam Zeynsa filia quondam Yngrami de Doerne pariter geniti, et Iohannes filius quondam Bernardi van Overmeer, maritus et tutor legitimus ut asserebat Gertrudis sue uxoris, filie quondam Iohannis Watermael, ab eodem quondam Iohanne et dicta quondam Zeynsa pariter genite, ut dicebant, palam recognoverunt se quandam divisionem hereditariam mutuo fecisse de quibusdam bonis ad se ut dicebant spectantibus.
 Mediante qua divisione domus et area sita in Buscoducis in loco dicto inden Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondam Willelmi filii Arnoldi Tyelkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis infrascriptam et hereditatem quondam Arnoldi Noeyde ex alio; insuper iamdicta particula hereditatis contigue iuxta iamdictam domum et aream consistentem ex uno et inter hereditatem Mathye Braxatoris ex alio, dempto iure utendi quadam via ibidem ordinata in iamdicta particula hereditatis, a communi via ibidem existente usque ad communem cloacam ibidem supra aquam ibidem consistentem, necnon dempto iure utendi iamdicta cloaca, que iura pertinere tenebuntur ad quamdam aliam domum et aream ibidem sitam, ad Arnoldum filium dicti quondam Yngrami spectantem, ut dicebat, dicte Luytgardi cesserunt in partem ---.
 Et mediante qua divisione medietas cuiusdam orti dicti quondam Yngrami, sito ibidem in dicto loco die Mortel vocato ultra communem aquam ibidem fluente, videlicet dividendo dictum ortum in duas partes equales per eius latitudinem, illa videlicet medietas que sita est ibidem versus dictam communem aquam, dempto tamen de dicta medietate iure utendi quadam via, novem pedatarum in latitudine continente sumenda? de dicta medietate orti predicti versus hereditatem Luytgardi filie quondam Arnoldi de Beke, quod ius iamdictum pertinere dinoscitur ad hereditatem Arnoldi filii dicti quondam Yngrami ibidem situatam, ut dicebat, dicto Iohanni filio quondam Bernardi tamquam marito et tutori sue uxoris predicte cesserunt in partem ---. Datum supra (= xi martii, 2a post Invocavit).
2.R. 1218, f. 210v.: Luytgardis filia quondam Henrici Scelleken cum tutore domum et aream sitam in Buscoducis in loco dicto inden Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondama Willelmi filii Arnoldi Tielkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis infrascriptam et inter hereditatem quondam Arnoldi Noyde ex alio; insuper iamdictam particulam hereditatis contigue iuxta dictam domum et aream consistentem ex uno et inter hereditatem quondam Mathie Braxatoris, nunc heredum eius, ex alio, dempto tamen iure utendi quadam via ibidem ordinata in iamdicta particula hereditatis a communi via ibidem existente usque ad communem cloacam ibidem supra aquam consistentem necnon dempto iure utendi iamdicta cloaca, que iura predicta pertinere tenebantur ad quandam aliam domum et aream ibidem sitam, ad Arnoldum filium quondam Yngrami de Doernen spectantem, ut dicebat, hereditarie vendidit Petro suo fratri, filio dicti quondam Henrici Scelleken, et Iohanni filio quondam Bernardi van Overmeer ---, salvis dicte Luytgardi suis pensionibus sibi a dictis Petro et Iohanne hodierna die premissis ---. Datum xxx octobris.
 a In het hs. tweemaal relicte quondam.
3.R. 1225, f. 157v.: Iohannes filius quondam Bernardi de Overmeer, tutor et maritus ut dicebat Gertrudis sue uxoris, filie quondam Iohannis Watermael, ab eodem quondam Iohanne et Zeynsa filia quondam Ingrami de Doernen pariter genite, medietatem cuiusdam orti olim dicti quondam Ingrami, siti in Buscoducis in loco dicto communiter dicto Mortel ultra communem aquam ibidem fluentem, videlicet dividendo dictum ortum in duas partes equales per eius latitudinem, illam scilicet medietatem dicti orti que sita est versus dictum communem aquam, dempto tamen de dicta medietate orti predicti iure utendi quadam via novem pedatarum in latitudine continente, sumenda? de dicta medietate orti predicti versus hereditatem Luytgardis filie quondam Arnoldi de Beke, quod ius iamdictum pertinere dinoscitur ad hereditatem Arnoldi filii dicti quondam Ingrami ibidem situatam, que medietas orti predicti, dicto iure utendi via predicta dempto, primodicto Iohanni mediante quadam divisione hereditaria hereditario iure ... in hoc coheredes ... cessit in partem, prout in litteris dicebat contineri, legitime et hereditarie supportavit Arnoldo filio dicti quondam Ygrami de Doernen ---. Datum ultima octobris.
4.R. 1233, f. 150: Arnoldus filius quondam Yngrami de Doernen domistadium olim domus et aree, situm in Buscoducis in vico dicto inden Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondam Willelmi filii quondam Willelmi Arnoldi Tielkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis infrascriptam et inter hereditatem quandam Arnoldi Noyde ex alio; insuper iamdictam particulam hereditatis contigue iuxta dictam domum et aream consistentem ex uno et inter hereditatem quondam Mathie Braxatoris, nunc heredum eius, ex alio, quas domum, aream et particulam hereditatis predictas, demptis iuribus infrascriptis, dictus Arnoldus filius quondam Ygrami de Doernen erga Petrum filium quondam Henrici Scelleken et Iohannem filium quondam Bernardi de Overmeer acquisierat, prout in litteris, simul cum iure utendi quadam via ibidem
daarop staande bebouwing en het stukje erf droeg Gerit Batenz. op 18 februari 1490 over aan Hendrik Loden1, zijn erfgenamen op 19 juni 1499 aan Jan Jansz. Kanapart.2

Bezitters:
Emond Rover >
Jan van Hellu >
zijn dochter Margriet, gehuwd met Herman Winriksz. van Oyen >
Aart Aartsz. van Beek >
Ingram van Deurne >
zijn erfgenamen Aart en Zeynse bij erfdeling 1433.11.16 >
Zeynse, gehuwd met Hendrik Scelleken
hun erfgenamen 1443.03.11 >

huis en erf, huisplaats met bebouwing en stukje erf:
Luitgard Hendriksdr. Schelleke 1447.10.30 >
Peter Hendriksz. Schelleke en Jan Berendsz. van Overmeer >
Aart Ingramsz. van Deurne 1463.12.14 >
Gerit Gerit Batenz. 1490.02.18 >
Hendrik Lodenz.
zijn erfgenamen 1499.06.19 >
Jan Jansz. Kanapart

de helft van de tuin:
Geertruid dochter van Zeynse en Jan Watermaal, gehuwd met Jan Berendsz. van Overmeer, 1454.10.31 >
Aart Ingramsz. van Deurne

De helft van de tuin bleef in het bezit van Aart van Deurne. Deze liet drie kinderen na: een zoon Robbrecht, een dochter Mechteld, gehuwd met Cornelis Aartsz. Coelborner, en een dochter Heilwig, gehuwd met Wouter Jacobsz. van Brede. Op 11 september 1489 deelden de drie erfgenamen een aantal goederen uit de boedel.3 Tot de niet gedeelde goederen behoorde het zojuist genoemde stuk tuin. Hiervan hadden de andere twee erfgenamen op 9 september 1489 elk een derde deel
 ordinata in iamdicta particula hereditatis a communi via ibidem tendente usque ad communem cloacam ibidem supra aquam existentem necnon cum iure utendi iamdicta cloaca, que iura predicta pertinere consueverat ad quandam aliam domum et aream ibidem sitam ad dictum Arnoldum spectantem, ut dicebat, hereditarie supportavit Gerardo Bathen soen, filio quondam Gerardi ---. Datum xiiii decembris.
1.R. 1259, f. 257-257v.: Dictus Gerardus (= Gerardus filius quondam Gerardi, filii quondam Gerardi dicti Bathen soen) domistadium olim domus et aree site in Buscoducis in vico dicto in den Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondam Willelmi Arnoldi Tielkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis infrascriptam et inter hereditatem quondam Arnoldi dicti Noyden ex alio; insuper iamdictam particulam hereditatis contigue iuxta dictam domum et aream consistentem ex uno et inter hereditatem quondam Mathie Braxatoris, nunc heredum eius, ex alio, simul cum iure utendi quadam via ibidem ordinata in iam dicta particula hereditatis a communi via ibidem tendente usque ad communem cloacam ibidem supra aquam existente, nec non cum iure utendi iam dicta cloaca, que domistadium et iura predicta Gerardus dictus Bathensoen, filius quondam Gerardi, erga Arnoldum filium quondam Yngrami dicti de Doernen acquisierat, simul cum edificiis nunc desuper consistentibus, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Henrico Loeden ---. Datum xviii februarii.
2.R. 1267, f. 389: Dicti omnes ut iam supra (= Elisabeth relicta quondam Henrici Loden, domicella Heilwigis relicta quondam magistri Gerardi Boest, filia quondam Arnoldi Dicbier, Hermannus, Henricus et Willelmus fratres, liberi quondam Willelmi de Os, ab eodem et quondam domicella Mechtelde eius uxore pariter genitis) domistadium olim domus et aree, situm in Buscoducis in vico dicto inden Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondam Willelmi Arnoldi Tielkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis contigue iuxta dictam domum et aream conistentem ex uno et inter hereditatem quondam Mathie Braxatoris, depost heredum eius, ex alio, simul cum iure utendi quadam via ibidem ordinata in iamdicta particula hereditatis, a communi via ibidem tendente usque ad communem cloacam ibidem supra aquam existentem necnon dempto iure utendi iamdicta cloaca, simul cum edificiis nunc desuper consistentibus, que domistadium et iura predicta simul cum dictis edificiis dictus Henricus Loden erga Gerardum filium quondam Gerardi filii quondam Gerardi dicti Bathen zoen dudum acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportaverunt dicto Iohannis Kanapart (= filio Iohannis), simul cum dictis litteris, aliis, instrumento et iure ---. Testes, datum supra (= xixa iunii).
3.R. 1258, f. 102-105.
overgedragen aan hun broer en zwager Wouter van Brede. Dit stuk tuin was vóór 74 voet (21,24 m) breed, te meten vanaf een stenen muur aldaar tot aan erf van Laureis van den Hout. Een diepte van 80 voet (22,96 m) naar achteren was het nog 72 voet (20,66 m) breed. Het stuk tuin lag tussen de Dieze (hier de Kleine Vughterstroom) - hoogstwaarschijnlijk aan de noordzijde - en tussen een erf van Laureis Hendriksz. van den Hout,1 dat deze op 10 september van de erfgenamen had verkregen.2
Het andere stukje van het grotere stuk, 72-48=26 voet breed, werd op 27 november 1492 door Wouter van Brede verkocht aan Hendrik Hendriksz. Loden. Het werd lag aan de voorzijde tussen de hoek van een stenen muur bij het water (de Kleine Vughterstroom) en erf van Laureis van den Hout.3
1.R. 1258, f. 99: Robbertus filius quondam Arnoldi Yngrami de Doernen aurifabri et Cornelius filius quondam Arnoldi Coelborner, maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi, duas tercias partes ad ipsos ut dicebant spectantes cuiusdem orti sumptas de medietate cuiusdam orti dicti die Mortel, siti in Buscoducis in loco dicto Mortel inter aquam ibidem fluentem, die Diese vocatam, ex uno et inter hereditatem Laurencii filii quondam Henrici vanden Hout carpentatoris quam ipse hodierna die erga dictos Robbertum, Cornelium et Wolterum de Brede, maritum et tutorem legitimum Heylwigis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi, acquisierat ex alio, tendentes a communi platea retrorsum ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe, que quidem pars orti predicta ante in capite continet in latitudine septuaginta quatuor pedatas, mensurando de cono muri lapidei ibidem consistentis usque ad hereditatem dicti Laurencii, continet eciam mensurando retrorsum ad longitudine octuaginta pedatarum septuaginta duas pedatas in latitudine, et sic finaliter et linealiter se extendentes ad hereditatem dictorum dominorum abbatis et conventus, ut dicebant, hereditarie vendiderunt dicto Woltero ---, exceptis hereditario censu sex libarum monete Henrico vander Aaffort, hereditario censu duarum librarum dicte monete conventui predicatorum in Buscoducis, hereditario censo duarum librarum monete predicte infirmarie maioris curie baghinarum in Buscoducis, hereditario censu decem solidorum eiusdem monete cappellanis beneficiatis in ecclesia sancti Iohannis ewangeliste in Buscoducis, hereditario censu viginti solidorum monete supratacte heredibus quondam Cristiani Becker et hereditario censu decem solidorum eiusdem monete fabrice ecclesie dicte maioris curie beginarum in Buscoducis prius exinde e iure solvendis, ut dicebant ---, tali condicione annexa quod dictus emptor contigue ad et iuxta dictam communem plateam de et a dicta sua parte orti dimittet et dimittere tenebitur unam particulam vacuam minimeque occupatam et edificatam longitudinis decem pedatarum, mensurando a medietate dicti pontis lapidei versus supradictam partem orti predicti et hoc circa futura tempora in maiorem ampliacionem et perfectionem commune platee predicte, omni dolo et fraude in hiis seclusis. Testes Dicbier et Busco. Datum nona septembris.
2.R. 1258, f. 99v.: Dicti Robbertus, Wolterus et Cornelius, mariti ut supra (= Robbertus filius quondam Arnoldi Yngrami de Doernen aurifabri et Cornelius filius quondam Arnoldi Coelborner, maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi) partem orti sumptam de medietate cuiusdam orti dicti den Mortel, siti in Buscoducis in loco dicto dem Mortel inter hereditatem seu partem orti dicti Wolteri de Brede ex uno et inter hereditatem Iohannis filii quondam Iohannis Nijs quam ipse hodierna die erga Robbertum, Wolterum et Cornelium predictos acquisierat ex alio, tendentem a communi platea retrorsum usque ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe, que quidem pars orti ante et in capite continet quadraginta octo pedatos in latitudine, continet eciam mensurando retrorsum ad longitudinem octuaginta pedatarum eadem latitudine et sic finaliter et linealiter se extendentem ad hereditatem dictorum abbatis et conventus de Tongerloe, ut dicebant, hereditarie vendiderunt Laurencio filio quondam Iohannis vanden Hout carpentatori ---, excepto hereditario censu octo librarum monete Ygramo filio quondam Iohannis van Overmeer prius exinde solvendis ---, tali annexa condicione quod dictus emptor contigue ad et iuxta communem plateam de et a dicta sua parte orti dimittet et dimittere tenebitur unam particulam vacuam minimeque occupatam seu edificatam longitudine decem pedatarum, mensurando a dicta communi platea versus supradictam partem orti ut supra. Testes Hezewick et Busco. Datum xa septembris.
3.R. 1262, f. 99v.: Notum sit univeris quod cum Robbertus filius quondam Arnoldi Yngrams de Doernen aurifabri et Cornelius filius quondam Arnoldi Coelborner, maritus et tutor legitimus Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi, duas 3as partes que ad ipsos spectabant in parte orti sumpta de medietate cuiusdam orti dicti Mortel, siti in Buscoducis in loco dicto die Mortel inter aquam ibidem fluentem die Dyeze vocatam ex uno et inter hereditatem Laurencii filii quondam Henrici vanden Hout carpentatoris ex alio, tendente a communi platea retrorsum ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe et que quidem pars orti predicti ante in capite continet in latitudine septuaginta quatuor pedatas mensurando de cono muri lapidei ibidem consistentis usque ad hereditatem dicti Laurencii, continet eciam mensurando retrorsum ad longitudinem octuaginta pedatarum septuaginta duas pedatas in latitudine, ac finaliter et linealiter se extendendo ad hereditatem dictorum dominorum abbatis et conventus, hereditarie vendidissent Woltero de Brede, prout in litteris, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Wolterus de Brede quandam particulam seu quotam sumptam de parte dicti orti, illam scilicet particulam seu quotam que sita est ibidem contigue iuxta dictam aquam ibidem fluentem, viginti sex pedatas ante in capite continentes in latitudine, mensurando de cono muri lapidei ibidem iuxta aquam consistentem versus hereditatem dicti Laurencii, et que particula seu quota dicti orti habebit eandem latitudinem retrorsum
Op 10 september 1489 waren nog meer stukken grond dan het bovengenoemde deel van 48 voet breed van het grotere stuk van 72 voet breed door de erfgenamen van Aart van Deurne goudsmid verkocht en overgedragen:
  • aan Jan Jansz. Nijs een stuk tuin gelegen tussen het erf van Laureis van den Hout en erf van Jan Jacobsz. die Koyter of Koyt timmerman van 24 voet (6,89 m) breed;1
  • aan genoemde Jan Jacobsz. Koyt timmerman een erf van eveneens 24 voet breed tussen het erf van Jan Nijs en erf van Hendrik Hubert ’s Graten messenmaker;2
  • aan genoemde Hendrik ’s Graten een erf van ook 24 voet breed tussen het erf van Jan Koyt en erf van Cornelis Coelborner en anderen.3
Deze erven grensden achter alle aan het - westelijk gelegen - erf van de abdij Tongerlo. De totale breedte aan de voorzijde langs De Mortel bedroeg dus 26+48+24+24+24=146 voet (40,59 m). De erven zullen dus het middelste deel van de westzijde van De Mortel (ter plaatse van het Telefoongebouw) hebben omvat.
Ten zuiden hiervan lag een erf dat bij de hierboven al vermelde erfdeling van goederen van Aart van Deurne goudsmid gehouden op 11 september 1489 toegescheiden werd aan Cornelis Coelborner,
 quo ad longitudinem octuaginta pedatarum et ab illa distancia extendendo se ulterius finaliter et linealiter usque ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe predictorum, ut dicebat, hereditarie vendidit michi ad opus Henrici Loden, filii quondam Henrici ---, tali annexa condicione quod dictus Henricus Loyen ad et iuxta dictam communem plateam de et a dicta particila seu quota partis orti dimittet et dimittere tenebitur unam particulam vacuam minimeque occupatam seu edificatam longitudinis decem pedatarum, mensurando a medietate pontis ibidem consistentis versus dictam particulam seu quotam partis orti predicti et hoc circa tempus futurum in maiorem ampliacionem et perfectionem communis platee predicte, omnibus dolo et fraude seclusis. Testes Spierinc et Adam. Datum supra (= xxvii novembris).
1.R. 1258, f. 99v.: Dicti omnes ut supra (= Robbertus filius quondam Arnoldi Yngrami de Doernen aurifabri et Cornelius filius quondam Arnoldi Coelborner, maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi) partem orti sumptam de medietate cuiusdam orti dicti den Mortel, siti in Buscoducis in loco dicto die Mortel vocato inter hereditatem Laurencii filii quondam Henrici vanden Hout carpentatoris ex uno et inter hereditatem Iohannis filii quondam Iacobi die Koyter carpentatoris quam ipse hodierna die erga dictos Robbertum, Wolterum et Cornelium emendo acquisierat ex alio, tendentem a communi platea ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe, que quidem pars orti ante et in capite continet viginti quatuor pedatarum in latitudine, continet eciam mensurando retrorsum ad longitudine octuaginta pedatarum eadem latitudine, et sic finaliter et linealiter se extendentem ad hereditatem dictorum dominorum abbatis et conventus, ut dicebant, hereditarie vendiderunt Iohanni filio quondam Iohannis Nijs ---, excepto hereditario censu quatuor librarum monete dicto Ygramo (= Ygramo filio quondam Iohannis van Overmeer) ---. Testes, datum supra (= xa septembris).
2.R. 1258, f. 100: Dicti omnes ut supra (= Robbertus filius quondam Arnoldi Yngrami de Doernen aurifabri et Cornelius filius quondam Arnoldi Coelborner, maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi) partem orti sumptam de medietate cuiusdam orti dicti die Mortel, siti in Buscoducis in dicto loco die Mortel vocato inter hereditatem Iohannis Nijs, filii quondam Iohannis, quam hodierna die erga dictos Robbertum, Wolterum et Cornelium emendo acquisierat ex uno et inter hereditatem Henrici filii quondam Huberti sGraten cultellificis quam ipse eciam erga eosdem Robbertum, Wolterum et Cornelium hodierna die acquisierat ex alio, tendentem a communi platea ad hereditatem dictorum dominorum abbatis et conventus de Tongerloe, que quidem pars orti ante in capite continet viginti quatuor pedatas in latitudine, continet eciam mensurando retrorsum ad longitudine octuaginta pedatarum eandem latitudinem, et sic finaliter et linealiter ad hereditatem dictorum dominorum abbatis et conventus de Tongerloe, ut dicebant, hereditarie vendiderunt dicto Iohanni filio quondam Iacobi Koyt carpentatoris ---, excepto hereditario censu quatuor librarum dicte monete dicto Ygramo (= Ygramo filio quondam Iohannis van Overmeer) ---. Testes, datum supra (= xa septembris).
3.R. 1258, f. 100: Dicti omnes (= Robbertus filius quondam Arnoldi Yngrami de Doernen aurifabri et Cornelius filius quondam Arnoldi Coelborner, maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi) partem orti sumptam de medietate cuiusdam orti dicti die Mortel, siti in Buscoducis in dicto loco die Mortel inter hereditatem dicti Iohannis filii quondam Iacobi Koyt carpentatoris quam ipse hodierna die erga eosdem Robbertum, Wolterum et Cornelium emendo acquisierat ex uno et inter hereditatem dicti Cornelii Coelborner et aliorum ibidem ex alio, tendentem a communi platea ad hereditatem dictorum dominorum abbatis et conventus de Tongerlo, que quidem pars orti continet ante et in capite viginti quatuor pedatas in latitudine, continet eciam mensurando retrorsum ad longitudinem octuaginta pedatarum eandem latitudinem, et sic finaliter se extendentem ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe, ut dicebant, hereditarie vendiderunt Henrico filio quondam Huberti sGraten cultellifici ---, excepto hereditario censu quatuor librarum monete dicto Ygramo (= filio quondam Iohannis van Overmeer) ---. Testes, datum supra (= xa septembris).
gehuwd met Aarts dochter Mechteld. Dit perceel grensde aan de zuidzijde aan een perceel van Aart Michiels.1
Het noordelijkste van de hier behandelde percelen werd op 19 juni 1499 door Liesbet weduwe van Hendrik Loden en anderen - waarschijnlijk mede-erfgenamen van Hendrik Loden - overgedragen aan Jan Jansz. Kanapart.2 Deze laatste ten slotte transporteerde het op 19 december 1501 aan Cornelis van Bergen. Voorwaarde was dat de koper het erf niet mocht bebouwen zolang de verkoper en zijn vrouw nog in leven waren, maar hij mocht wel een muur ter hoogte van zeven voet (1,95 m) bouwen, zoals ze toen was: vulgariter dicendo dat heer Cornelius voirscreven ’t voirscreven erve nyet en sal moigen betymmeren zoe lange Jan Kanapart ende zijn huysvrou oft d’een van hen beyden leven zullen, mar sal aen den werff moigen leggen een muer seven voeten hoech boeven der erden, zoe se nu is.3
1.R. 1258, f. 102-105: Robbertus filius quondam Arnoldi de Doernen, filii quondam Ygrami, ab eodem quondam Arnoldo et quondam Mechtelde sua uxore, filia quondam Rodolphi Loyer, pariter genitus, Wolterus filius quondam Iacobi de Bree, maritus et tutor legitimus ut dicebat Heylwigis sue uxoris, et Cornelius Coelborner tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filiarum quondam Arnoldi et Mechteldis predictorum, palam recognoverunt se quandam divisionem hereditariam mutuo fecisse de bonis eis de morte dictorum quondam Arnoldi et Mechteldis iure successionis hereditarie advolutis.
 Mediante qua divisione --- een aantal goederen --- dicto Robberto cesserunt in partem ---.
 Et mediante qua divisione --- een aantal goederen --- dicto Woltero de Bree tamquam marito legitimo Heylwigis predicte sue uxoris cesserunt in partem ---.
 Et mediante qua divisione drie kameren bij de Lombardsbrug in de Mortel ---; insuper pecia hereditatis sita in Buscoducis, sumpta de orto dicto die Mortel inter hereditatem Henrici Huyberts die mesmeker ex uno et inter hereditatem Arnoldi Michiels soen ex alio, ut dicebat; --- en andere goederen --- dicto Cornelio tamquam marito et tutori legitimo Mechteldis sue uxoris, filie dictorum Arnoldi et Mechteldis, cesserunt in partem ---. Datum xi septembris.
 a Dit woord ontbreekt.
2.R1267, f. 389-390: Notum sit universis quod cum Robbertus filius quondam Arnoldi Yngrams de Doernen aurifabri et Cornelius filius quondam Arnoldi Coelborneer, maritus et tutor legitimus Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi, duas tercias partes ad ipsos spectantes in parte orti sumpta de medietate cuiusdam orti dicti die Mortel, siti in Buscoducis in loco dicto die Mortel inter aquam ibidem fluentem, die Dyeze communiter vocatam, ex uno et inter hereditatem Laurencii filii quondam Henrici vanden Hout carpentatoris ex alio, quequidem pars orti predicta ante in capite continet in latitudine septuaginta quatuor pedatas, mensurando de cono muri lapidei ibidem consistentis usque ad hereditatem dicti Laurencii, continet eciam mensurandi retrorsum ad longitudinem octuaginta pedatarum septuaginta duas pedatas in latitudine et sic finaliter et linealiter se extendens ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe hereditarie vendidissent Woltero de Brede; et deinde idem Wolterus quamdam particulam seu quotam sumptam de parte dicti orti, illam scilicet particulam seu quotam que sita est ibidem contigue et iuxta dictam aquam ibidem fluentem, viginti sex pedatas ante in capite continentem in latitudine, mensurando de cono muri lapidei ibidem iuxta aquam consistentem versus hereditatem dicti Laurencii et que particula seu quota dicti orti habebit eanden latitudinem retrorsum quo ad longitudinem octuaginta pedatarum, et ab illa distantia extendens se ulterius finaliter et linealiter usque ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe predictorum hereditarie vendidisset Franconi de Langel ad opus Henrici Loden, filii quondam Henrici, prout in litteris, constituti igitur coram scabinis infrascriptis dicti Elisabeth et alii ut supra in contractu precedente (= Elisabeth relicta quondam Henrici Loden, domicella Heilwigis relicta quondam magistri Gerardi Boest, filia quondam Arnoldi Dicbier, Hermannus, Henricus et Willelmus fratres, liberi quondam Willelmi de Os, ab eodem et quondam domicella Mechtelde eius uxore pariter genitis), dictam particulam seu quotam sumptam de parte orti predicti hereditarie supportaverunt dicto Iohanni Kanapart (= filio Iohannis), simul cum litteris, aliis, instrumento et iure ---. Datum xix iunii.
3.R. 1270, 236v.-237: Notum sit universis quod cum Robbertus filius quondam Arnoldi Yngrams de Doernen aurifabri et Cornelius filius quondam Arnoldi Coelborneer, maritus et tutor legitimus Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi, duas tercias partes ad ipsos spectantes in parte orti sumpta de medietate cuiusdam orti dicti die Mortel, siti in Buscoducis in loco dicto die Mortel inter aquam ibidem fluentem, die Dyeze communiter vocatam, ex uno et inter hereditatem Laurencii filii quondam Henrici vanden Hout carpentatoris ex alio, que quidem pars orti predicti ante in capite continet in latitudine septuagintaquatuor pedatas, mensurando de cono muri lapidei ibidem consistentis usque ad hereditatem dicti Laurencii, continet eciam mensurando retrorsum ad longitudinem octuaginta pedatarum, septuaginta duas pedatas in latitudine ac finaliter et linealiter se extendens ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe, hereditarie vendidissent Woltero de Brede; et deinde idem Wolterus quandam particulam seu quotam sumptam de parte dicti orti, illam scilicet particulam seu quotam que sita est ibidem contigue et iuxta dictam aquam ibidem fluentem, vigintisex pedatas ante in capite continentem in latitudine, mensurando de cono muri lapidei ibidem iuxta aquam
Het hier zuidelijk aan grenzende perceel is op 7 februari 1494 overgegaan op Cornelis van Bergen. Het betrof een stukje tuin gelegen tussen een dergelijk stukje tuin van Hendrik Loden en een erf van Laureis Hendriksz. van den Hout timmerman. Vooraan was het 48 voet ( 13,77 m) breed - de Bossche stadsvoet mat ongeveer 28,7 centimeter - gerekend vanaf het stukje tuin van Hendrik Loden tot het erf van Laureis van den Hout. Een diepte van 80 voet (22,96 m) naar achter toe mat het nog 42 voet (12,05 m) en vanaf daar strekte het zich uit tot aan erf van de abdij Tongerlo. Aan de straat - hoogstwaarschijnlijk De Mortel, toen ook het Mortelstraatje genoemd - moest de koper een stukje van 10 voet afstaan ter verbreding van die straat.1
De percelen van Jan Jansz. Nijs en Jan Jacobsz. Koyt timmerman werden beide op 17 augustus
 consistentem versus hereditatem dicti Laurencii et que particula seu quota dicti orti habebit eandem latitudinem retrorsum quo ad longitudinem octuaginta pedatarum, et ab illa distancia extendens se ulterius finaliter et linealiter usque ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerlo predictorum hereditarie vendidisset Franconi de Langel ad opus Henrici Loden filii quondam Henrici; et cum depost Elisabeth relicta dicti quondam Henrici Loden, domicella Heilwigis relicta quondam magistri Gerardi Boest, filia quondam Arnoldi Dicbier, Hermannus, Henricus et Willelmus fratres, liberi quondam Willelmi de Os, ab eodem quondam Willelmo et quondam domicella Mechtelde eius uxore pariter geniti, dictam particulam seu quotam sumptam de parte orti predicti hereditarie supportassent Iohanni Kanapart, filio Iohannis, prout in diversis litteris, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Iohannes Kanapart iamdictam particulam seu quotam sumptam de parte orti predicti hereditarie supportavit nobili et generoso domino domino Cornelio de Bergis, domino de Zevenbergen, Grevenbroick, Hezewyc, Dynther etcetera ---, tali conditione premissis annexa quod dictus dominus Cornelius particulam seu quotam orti predicti non occupabit nec occupare poterit aut procurabit aliquibus edificiis quam diu dictus Iohannes Kanapart et eius uxor vixerint aut alter eorum vixerit in humanis, hoc tamen salvo quod idem dominus Cornelius ad (doorgehaald: fundum) edificium dictum den werf orti predicti ponere poterit, si velit, unum murum continentem a terra prout ibidem pronunc iacet sursum altitudinem septem pedatarum, vulgariter dicendo dat heer Cornelius voirscreven tvoirscreven erve nyet en sal moigen betymmeren zoe lange Jan Kanapart ende zijn huysvrou oft deen van hen beyden leven zullen, mar sal aenden werff moigen leggen een muer seven voeten hoech boeven der erden, zoe se nu is. Testes Hijnden et Bogart. Datum xixa decembris.
1.Notum sit universis quod cum Robbertus filius quondam Yngrami de Doernen aurifabria et Cornelius filius quondam Arnoldi Coelborner, maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi, duas tercias partes que ad ipsos spectabant in parte orti sumpta de medietate cuiusdam orti dicti Mortel, siti in Buscoducis in loco dicto die Mortel inter aquam ibidem fluentem die Dieze communiter vocatam ex uno latere et inter hereditatem Lauwerencii filii quondam Henrici vanden Hout carpentatoris ex alio, tendente a communi platea retrorsum ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe et que quidem pars orti predicti ante in capite continet in latitudine septuaginta quatuor pedatas mensurando de cono muri lapidei ibidem consistentis usque ad hereditatem dicti Lauwerencii, continet eciam mensurando retrorsum ad longitudinem octuaginta pedatarum septuaginta duas pedatas in latitudine, finaliter et linealiter se extendendo ad hereditatem dictorum dominorum abbatis et conventus, hereditarie vendidissent Woltero de Brede; ac cum deinde idem Wolterus quandam particulam sumptam de parte dicti orti, illam scilicet particulam seu quotam que sita est ibidem contigue et iuxta dictam aquam ibidem fluentem, viginti sex pedatas ante in capite consistentem in latitudine mensurando de dicto cono muri lapidei versus hereditatem dicti Lauwerencii et que particula dicti orti habebit eandem latitudinem retrorsum quo ad longitudinem octuaginta pedatarum, extendendo se ulterius finaliter et linealiter usque ad hereditatem dictorum dominorum abbatis et conventus de Tongerloe, hereditarie vendidissent Franconi de Langel ad opus Henrici Loeden, filii quondam Henrici, prout in diversis litteris, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Wolterus reliquam particulam de parte orti supradicti sitam contigue et lateraliter inter dictam particulam Henrici Loeden ex uno et inter hereditatem supradicti Lauwerencii ex alio, que scilicet particula ante in capite continet in latitudine quadraginta octo pedatas mensurando a dicta particula dicti Henrici Loeden ad hereditatem dicti Lauwerencii, continet eciam mensurando retrorsum ad longitudinem octuaginta pedatarum quadraginta duas pedatas in latitudine et ab illa distancia extendendo se ulterius linealiter et finaliter ad hereditatem dictorum dominorum abbatis et conventus, ut dicebat, hereditarie vendidit Michaeli Labbe ad opus nobilis et generosi domini Cornelii de Bergis, militis, domini temporalis de Zevenberge, Grevenbroick etc. ---, excepto hereditario censu decem solidorum monete fabrice ecclesie sancti Iohannis ewangeliste istius oppidi annuatim exinde e iure solvendo, ut dicebat, cum condicione quod dictus dominus Cornelius ad et iuxta dictam communem plateam de et a dicta particula sibi ut premittitur vendita, dimittet et dimittere tenebitur pro ampliatione dicte platee unam particulam vacuam minimeque superedificatam in longitudine decem pedatarum, ut dicta platea tanto latior et profectior sit, dolo et fraude seclusis. Testes Hedel et Overmeer. Datum septima februarii.
 a Zoals uit de andere gegevens blijkt, moet dit zijn: Robbertus filius quondam Arnoldi, filii quondam Yngrami de Doernen, aurifabri.
1498 aan Van Bergen getransporteerd.1 De erfgenamen van Hendrik Hubertsz. ’s Graten messenmaker hadden kort daarvoor, op 11 augustus van hetzelfde jaar, het op een na zuidelijkste van deze grondstukken overgedragen aan Cornelis van Bergen.2 Het zuidelijkste, dat van Cornelis Coelborner, kwam op 26 juli 1499 in zijn bezit.3

Bezitters van de helft van de tuin:
de erfgenamen van Aart van Deurne 1489.09.10 een stuk >
Laureis Hendriksz. van den Hout (zie hieronder)
twee erfgenamen van Aart van Deurne twee derde delen van het overige stuk 1489.09.11 >
Wouter van Brede, gehuwd met Heilwig dochter van Aart van Deurne

Voorts van noord naar zuid:
Erf van 26 voet breed:
Wouter van Brede 1489.09.09 >
1.R. 1266, f. 388v.-389: Iohannes filius quondam Iohannis Nijs partem orti sumptam de medietate cuiusdam orti dicti den Mortel, siti in Buscoducis in loco dicto die Mortel vocato inter hereditatem Lawreynci! filii quondam Iohannis vanden Hout carpentatoris ex uno et inter hereditatem Iohannis filii quondam Iacobi die Koeyter, quam idem Iohannes erga Robbertum filium quondam Arnoldi Ygrami de Doerne, Cornelium Coelber! et Wolterum de Brede acquisierat ex alio, que quidem pars orti predicti ante et in capite continet viginti quatuor predatas in latitudine, continet eciam retrorsum mensurando ad longitudinem octuaginta predatarum eandem latitudinem et sic finaliter et linealiter se extendo ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe, et quam partem orti predicti dictus Iohannes erga dictos Robbertum, Cornelium Coelber et Wolterum de Brede emendo acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Michaeli Labe ad opus domini Cornelii de Bergis, domini temporalis de Sevenbergen, Grevenbroeck etc. ---, tali condicione quod idem dominus Cornelius de et ex dicta parte orti predicti dabit et solvet dareque et solvere tenebitur Ygramo filio quondam Iohannis van Overmeer vel suis heredibus hereditarium censum quatuor librarum monete, ut dicebat. Testes, datum supra (= xvii augusti).
 Iohannes filius quondam Iacobi Koeyter carpentator partem orti sumptam de de medietate cuiusdam orti dicti die Mortell, siti in Buscoducis in loco dicto die Mortell vocato inter hereditatem Iohannis Nijs, filii quondam Iohannis, quam idem Iohannes erga Robbertum filium quondam Arnoldi Ygrami de Doerne, Cornelium Coelber et Wolterum de Brede acquisierat ex uno et inter hereditatem Henrici filii Huberti sGraeten ex alio, que pars orti predicti ante in capite continet viginti quatuor pedatas in latitudine, continet eciam mensurando retrorsum ad longitudinem octuaginta pedatarum eadem latitudine et sic finaliter et linealiter ad hereditatem dominorum abbatis et conventus de Tongerloe, et quam partem orti predicti dictus Iohannes erga dictos Robbertum, Cornelium et Wolterum emendo acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Michaeli Labe ad opus domini Cornelii de Bergis, domini temporalis de Sevenberge, Grevenbroeck etc. ---, tali condicione quod idem dominus Cornelius ex dicta parte orti predicti dabit et solvet dareque et solvere tenebitur heredibus quondam Ygramo filio quondam Iohannis van Overmeer vel suis heredibus hereditarium censum quatuor librarum monete, ut dicebat. Testes, datum supra (= xvii augusti).
2.R. 1266, f. 104-104v.: Rodolphus filius quondam Theoderici de Doerne tamquam maritus legitimus ut dicebat Elisabeth sue uxoris, relicte quondam Henrici filii quondam Huberti sGraten cultellificis, et ipsa cum eodem tamquam cum suo tutore, usufructum dicte Elisabeth sue uxori competentem in parte orti sumpta de medietate cuiusdam orti dicti die Mortel, siti in Buscoducis in loco dicto die Mortel vocato inter hereditatem Iohannis filii quondam Iacobi Koyters carpentatoris ex uno et inter hereditatem Cornelii Coelborner et aliorum ibidem ex alio, quam partem orti predictam dictus Henricus filius quondam Huberti sGraten cultellifx erga Robbertum filium quondam Yngrami de Doerne aurifabri, Cornelium filium quondam Arnoldi Coelborner, maritum et tutorem legitimum Mechteldis sue uxoris, et Wolterum de Brede, maritum et tutorem legitimum Heilwigis sue uxoris, filiarum dicti quondam Arnoldi Yngrami emendo acquisierat, prout in litteris, legitime supportaverunt Huberto filio Elisabeth et quondam Henrici predictorum ad opus sui et ad opus Gerarde, Elisabeth et Barbare filiarum dictorum Elisabeth et quondam Henrici ---. Testes, datum supra (= xia augusti).
 Notum sit universis quod cum ita actum esset, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Hubertus dictam partem orti hereditarie supportavit Michaeli Labe ad opus generosi et nobilis viri domini Cornelii de Bergis, domini de Zevenbergen etc. ---. Testes, datum supra.
3.R. 1267, f. 411: Cornelius filius quondam Arnoldi dicti Coelborner tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filie quondam Arnoldi Yngrams de Doernen, partem orti sumptam de medietate cuiusdam orti dicti de Mortel, siti in Buscoducis in loco dicto den Mortel inter hereditatem domini Cornelii de Bergis, domini de Melijn, de Zevenbergen, de Grevenbroick etc., ex utroque latere, tendentis a communi platea retrorsum usque ad hereditatem olim dominorum abbatis et conventus de Tongerloe, nunc vero dicti domini Cornelii, prout et quemadmodum dicta pars orti ibidem sita est pronunc ad dictum Cornelium filium quondam Arnoldi Coelborneer pertinere dinoscuntur, ut dicebat, hereditarie supportavit Godefrido Grotart de Os ad opus dicti domini Cornelii domini de Melijn de Zevenbergen etc. ---. Datum xxvita iulii.
Hendrik Loden 1499.06.19 >
Jan Kanapart 1501.12.19 >
Cornelis van Bergen

Erf van 48 voet breed:
alle erfgenamen van Aart van Deurne 1489.09.10 >
Laureis van den Hout 1494.02.07 >
Cornelis van Bergen

Erf van 24 voet breed:
alle erfgenamen van Aart van Deurne 1489.09.10 >
Jan Nijs 1498.08.17 >
Cornelis van Bergen

Erf van 24 voet breed:
alle erfgenamen van Aart van Deurne 1489.09.10 >
Jan Koyt 1498.08.17 >
Cornelis van Bergen

Erf van 24 voet breed:
alle erfgenamen van Aart van Deurne 1489.09.10 >
Hendrik ’s Graten
zijn erfgenamen 1498.08.11 >
Cornelis van Bergen

Erf van onbekende breedte:
alle erfgenamen van Aart van Deurne 1489.09.11 bij erfdeling >
Cornelis Coelborner 1499.07.26 >
Cornelis van Bergen

Waarschijnlijk ten zuiden hiervan lagen nog enkele percelen die deel hadden uitgemaakt van de tuin van Aart Ingramsz. van Deurne:
Op 11 september 1489 verkochten de erfgenamen van Aart Ingramsz. van Deurne een stuk tuin genomen uit de helft van de tuin de Mortel tussen erf van Steven Dirk Stevensz. timmerman aan de ene zijde en tussen erf van de stad, van Katelijn van Hedel, de openbare straat geheten dat Seckerstraetken en Roelof Thijs aan de andere zijde, strekkend van de openbare straat naar achter tot erf van Jan Graets en erf van het Berwoutgasthuis, samen met de gracht daar zijdelings aanliggend aan Heilwig weduwe van Aart van Beek. Dit stuk tuin was vooraan 20 voet (5,74 m) breed en 80 voet (22,96 m) met dezelfde breedte lang en strekte zich vervolgens uit tot Jan Graets en het hospitaal.1 Het Berwoutsgasthuis lag aan noordkant van de Weversplaats. Het Zekkerstraatje is mogelijk een zijsteegje aldaar.
Een ander deel genomen uit de tuin werd op 6 oktober 1489 door de erfgenamen overgedragen aan Steven Dirk Stevensz. Het was gelegen naast het hiervóór genoemde aan de ene zijde en tussen erf van Aart Meusz. van den Nuwenhuys aan de andere zijde, strekkend vanaf de straat tot erf van de abdij Berne, erf van het Uter Oisterwijkgasthuis en anderen.2
1.R. 1258, f. 100-100v.: Dicti omnes (= Robbertus filius quondam Arnoldi Yngrami de Doernen aurifabri et Cornelius filius quondam Arnoldi Coelborner, maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi) partem orti sumptam de medietate cuiusdam orti dicti die Mortel, siti in Buscoducis in dicto loco die Mortel vocato inter hereditatem Stephani filii quondam Theoderici Stevens soen carpentatoris quam ipse erga eosdem Robbertum, Wolterum et Cornelium acquisierat emendo ex uno et inter hereditatem opidi de Buscoducis, Katherine de Hedel, communem plateam dictam dat Seckerstraetken et Rodolphi Thijs ex alio, tendentem a communi platea retrorsum ad hereditatem Iohannis Graets et hereditatem cuiusdam hospitalis per quondam Arnoldum Beerwout ut dicitur fundati, simul cum fossato sibi lateraliter adiacente et ad premissa spectante, que quidem pars orti continet ante et in capite viginti quatuor pedatas in latitudine, continet eciam mensurando retrorsum ad longitudinem octuaginta pedatarum eandem latitudinem, et sic finaliter se extendentem ad hereditatem Iohannis Graets et hospitalis predictorum, ut dicebant, hereditarie vendiderunt Heylwigi relicte quondam Arnoldi de Beke ---, excepto hereditario censu quatuor librarum monete dicto Ygramo (= filio quondam Iohannis van Overmeer) prius exinde e iure solvendo ---. Datum xi septembris.
2.R. 1259, f. 63v.: Robbertus filius quondam Arnoldi Yngram de Doernen aurifabri, Wolterus de Brede, filius quondam Iacobi, tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Heilwigis sue uxoris, atque Cornelius Coelborner Arntssoen tamquam
Op dezelfde datum verkreeg deze Aart Meusz. van den Nieuwenhuis een stuk tuin, dat gesitueerd werd tussen erf van Steven Dirk Stevens en erf van Cornelis Coelborner, strekkend van de straat tot aan erf van de abdij Berne, het Uter Oisterwijkgasthuis en anderen.1 Het Uter Oisterwijkgasthuis lag aan de oostkant van de Sint-Jorisstraat, ter plaatse van de nummers 72-76. Aart van den Nieuwenhuis droeg dit stuk tuin op 23 juli 1498 over aan Cornelis van Bergen, de bezitter van het Hof van Zevenbergen.2

Het gebied ten oosten van de straat De Mortel

Hiervóór is al vermeld dat het complex van Aart Aartsz. van Beek in de Mortel afkomstig was van Emond Rover, vervolgens Jan van Hellu, daarna zijn dochter Margriet, die trouwde met Herman Winriksz. van Oyen.
Aart van Beeks kinderen Luitgard en Liesbet, gehuwd met Jacob Goes, maakten een erfdeling, waarbij Luitgard onder meer het grote woonhuis en de helft van de grote tuin aldaar over het water met het recht om over de brug aldaar te gaan verkreeg. Luitgards weduwnaar Jan Lodewijksz. van Kraandonk droeg krachtens het testament van Luitgard op 11 mei 1475 zijn rechten op een deel van deze bezittingen over aan Sander Ottenz. Piek van Batenburg. Het betrof de helft in het huis en erf, zijn vruchtgebruik in de andere helft, de helft in de grote tuin, zijn vruchtgebruik in de helft van de andere helft. Deze goederen waren toen gelegen tussen een steeg en tussen erf van de erfgenamen van jonker Pauwels van Haestrecht, heer van Venloon; zij strekten zich uit van een gracht tot erf van Aart Ingramsz. van Deurne goudsmid. De betreffende helft van de grote tuin was gelegen over het water naast de andere helft van de tuin, die aan Aart Ingramsz. toebehoorde. De helft van Jan van Kraandonk was gelegen naar de Verwerstraat toe.3 Het ging dus om het oostelijk deel; klaarblijkelijk
 maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filiarum dicti quondam Arnoldi Ingrami, partem quandam sumptam de medietate cuiusdam orti dicti den Mortel, siti in Buscoducis in loco dicto den Mortel inter hereditatem Heilwigis relicte quondam Arnoldi de Beeck ex uno et inter hereditatem Arnoldi filii quondam Bartholomei van den Nuwenhuys, quam idem Arnoldus erga dictos Robbertum, Wolterum et Cornelium hodierna die emendo acquisierat ex alio, tendentem a communi platea retrorsum usque ad hereditatem dominorum abbatis et conventus Bernensis ac hereditatem hospitalis virorum uuter Oesterwijck et quorundam aliorum ibidem, et que pars medietatis orti predicti quadraginta octo pedatas in latitudine ante in capite continet et que pars medietatis orti predicti mensurando a communi platea retrorsum ad longitudinem octuaginta pedatarum eandem latitudinem optinere debeat, et sic finaliter se extendet modo et forma pretactis, ut dicebat, hereditarie vendidit Stephano filio quondam Theoderici Stevens soen ---, exceptis hereditario censu trium et dimidiam librarum monete capitulo ecclesie sancti Iohannis evangeliste in Buscoducis et hereditario censu duarum librarum dicte monete Ingramo Beernts annuatim exinde e iure solvendis, salvo tamen dicto Cornelio et sibi reservato suo hereditario censu duarum et dimidie librarum dicte monete, quem dictus Stephanus dicto Cornelio hodierna die exinde solvere promiserat iuxta continentiam suarum litterarum confectarum, ut dicebat ---, tali annexa condicione quod dictus emptor contigue ad et iuxta dictam communem plateam de et a dicta sua parte medietatis dicti orti dimittet unam particulam vacuam et minime occupatam longitudinis decem pedatarum mensurando a dicta communi platea usque supradictam partem medietatis dicti orti et hoc circa futura tempora in maiorem amplitudinem et perfectionem communis platee predicte absque dolo seu fraude. Testes Broeck et Kuyst. Datum via octobris.
1.R. 1259, f. 63v.: Dicti venditores ut supra (= Robbertus filius quondam Arnoldi Yngram de Doernen aurifabri, Wolterus de Brede, filius quondam Iacobi, tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Heilwigis sue uxoris, atque Cornelius Coelborner Arntssoen tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Mechteldis sue uxoris, filiarum dicti quondam Arnoldi Ingrami) quandam partem sumptam de medietate dicti orti den Mortel vocati, siti in Buscoducis in loco dicto den Mortel inter hereditatem Stephani filii quondam Theoderici Stevens soen, quam idem Stephanus erga dictos Robbertum, Wolterum et Cornelium hodierna die emendo acquisierat ex uno et inter hereditatem dicti Cornelii ex alio, tendentem a communi platea retrorsum usque ad hereditatem dominorum et conventus, hospitalis etc. et quorundam aliorum ut supra, et que pars predicta mensurando a dicta communi platea retrorsum ad longitudinem octuaginta pedatarum eandem latitudinem optinere debeat, et sic finaliter se extendentem modo et forma premissis, ut dicebant, hereditarie vendiderunt Arnoldo filio quondam Bartholomei vanden Nuwenhuys ---. Testes, datum supra.
2.R. 1266, f. 269.
3.R. 1244, f. 203v.: Notum sit universis quod cum Hermannus filius quondam Wijnrici de Oyen, maritus et tutor legitimus Margarete sue uxoris, filie quondam Iohannis de Hellu, domum et aream ad se spectantem, sitam in Buscoducis in vico tendente a quodam ponte dicto communiter Conincsbrugge versus pontem dictum communiter Loefs brugge inter hereditatem quondam Iohannis de Gestel ex uno et inter quandam communem aquam ibidem currentem ex alio, cum
deelde de straat De Mortel de tuin doormidden.
Opmerkelijk is dat deze goederen op 4 februari 1480 door andere erfgenamen van Aart van Beek, te weten Aart Ingramsz. van Deurne, Heilwig weduwe van Tielman Artsz., dochter van Godschalk Becker, Zweneld dochter
van Heilwig en Tielman Artsz. en Jan Petersz. van Arkel hun recht in de helft in het huis en erf, de helft in de helft van de grote tuin overdroegen aan Jacob van den Einde.1 Het lijkt erop dat deze
 omnibus et singulis hereditatibus retro dictam domum et aream situatis, dictis communiter die Mortel, ad dictam domum et aream spectantes, prout huiusmodi hereditates die Mortel vocatas ibidem sunt situate et circumfossate, simul cum fossatis circum circa dictas hereditates die Mortel communiter vocatas situatis et ad easdem hereditates die Mortel vocatas de iure spectantibus, in omni ea quantitate qua dicta domus et area ac dicte hereditates die Mortel communiter vocatas cum dictis suis fossatis quondam ad Emondum Rover, avum quondam dicte Margarete, et postea ad dictum quondam Iohannis de Hellu pertinere consueverant, hereditarie vendidissent Arnoldo de Beke, filio naturali quondam domini Arnoldi de Beke, presbiteri, prout in litteris; et cum deinde Luytgardis filia quondam Arnoldi van Beke et Iacobus Goes pro se ipso et nomine et ex parte Iacobi, Arnoldi et Henrici fratrum, liberorum predicti Iacobi, ab eodem Iacobi et quondam Elisabeth sua uxore, filia quondam Arnoldi primodicti pariter genitorum, palam recognovissent se divisionem hereditariam mutuo fecisse de certis hereditatibus et domibus ibidem sitis; mediante qua divisione inter cetera magna domus mansionis ibidem sita atque medietas magni orti ibidem ultra communem aquam ibidem siti, simul cum iure viandi per viam et pontem ibidem sitas, atque cum iure pertinendi? ad pontem ibidem consistentem ac situandam!, dicte Luytgardi in partem cessissent, prout in litteris divisionis, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis Iohannes de Craendonck, filius Ludovici, tamquam relictus quondam Luytgardis sue uxoris predicte, potens ad infrascripta ut dicebat vigore testamenti ac ultime voluntatis dicti quondam Luytgardis medietatem ad ipsum ut dicebat spectantem in domo et area predicta necnon usufructum sibi ut dicebat competentem in reliqua medietate eiusdem domus et aree; item medietatem ad ipsum ut dicebat spectantem in una medietate orti magni predicti ultra aquam ibidem siti; necnon usufructum sibi ut dicebat competentem in reliqua medietate iamdicte medietatis eiusdem orti predicti; et que domus et area unacum orto ac reliquis suis iuribus et attinentiis pronunc ibidem site sunt inter quendam viculum ibidem protensum ex uno et inter hereditatem olim domicelli Pauli de Haestrecht, domini temporalis dum vixit de Venloen, nunc eius heredum, ex alio, tendens a quodam fossato ibidem ad hereditatem Arnoldi Yngrams soen de Doernen aurifabri, et dicta medietas magni orti predicti nunc sita est ibidem ultra aquam predictam contigue iuxta reliquam medietatem eiusdem orti ad dictum Arnoldum Yngrams soen spectantem, in illa scilicet medietate magni orti predicti que sita est ibidem versus (vicum)a dictum die Verwerstraet, ut dicebat, legitime et hereditarie supportavit Sandero Pyeck de Batenborch, filio quondam Ottonis --- hereditarius census trium librarum et decem solidorum monete capitulo ecclesie? sancti Iohannis evangeliste, fabrice eiusdem ecclesie dimidiam libram monete, due 3s partes unius libre monete predicte hereditarii census capitulo predicto, una 3a pars unius huiusmodi libre communibus capellanis dicte ecclesie, conventui fratrum predicatorum, una libra monete hereditarii census ac una libra hereditarii census monete maiori hospitali in Buscoducis unacum censu fundi ad valorem quinque et dimidii denariorum cromstarten communiter vocatorum ascendente annuatim exinde e iure solvendis --- (volgt nog een voorwaarde). Datum xi maii, quinta post Exaudi.
1.R. 1249, f. 72v.-73: Notum sit universis quod cum Hermannus filius quondam Winrici de Oyen, maritus et tutor legitimus Margarete sue uxoris, filie quondam Iohannis de Hellu, domum et aream ad se spectantem, sitam in Buscoducis in vico tendente a quodam ponte dicto communiter Conincs brugge versus pontem dictum communiter Loefs brugge inter hereditatem quondam Iohannis de Gestel ex uno latere et inter quandam communem aquam ibidem currentem ex alio latere, cum omnibus et singulis hereditatibus retro dictam domum et aream situatis dictis communiter die Mortel ad dictam domum et aream spectantem, prout huiusmodi hereditates die Mortel communiter vocate ibidem sunt situate et circumfossate, simul cum fossatis circum circa dictas hereditates die Mortel communiter vocatas situatis et ad easdem hereditates die Mortel vocatas de iure spectantibus in omni ea quantitate qua dicta domus et area ac dicte hereditates die Mortel communiter vocate cum dictis suis fossatis quondam ad Emondum Rover, avum quondam dicte Margarete, et postea ad dictum quondam Iohannem de Hellu pertinere consueverant hereditarie vendidisset Arnoldo de Beke, filio naturali quondam domini Arnoldi de Beke, presbiteri, prout in litteris; et cum deinde Luytgardis filia quondam Arnoldi van Beke et Iacobus Goes pro se ipso et nomine atque ex parte Iacobi, Arnoldi et Henrici fratrum, liberorum primodicti Iacobi, ab eodem Iacobo et quondam Elizabeth sua uxore, filia quondam Arnoldi primodicti, pariter genitorum, palam recognovissent se divisionem hereditariam mutuo fecisse de certis hereditatibus et domibus ibidem sitis; mediante qua divisione inter cetera magna domus mansionis ibidem sita atque medietas atque medietas magni orti ibidem ultra communem aquam ibidem siti, simul cum iure viandi per viam et portam ibidem sitas atque cum iure pertinendi ad pontem ibidem consistentem ac situandam dicte Luytgardi in partem cessissent, prout in litteris divisionum! scabinorum de Buscoducis super hoc confectis plenius continetur, constituti igitur coram scabinis infrascriptis Arnoldus filius quondam Yngrami filii quondam Robberti dicti van Doernen, ab eodem quondam Yngramo et quondam Heylwige sua uxore, filia dicti quondam Arnoldi de Beke, pariter genitus, Heylwigis relicta quondam Tielmanni Arts soen, filia legitima quondam Goetscalci Becker, ab eodem
goederen inderdaad in zijn bezit heeft gekregen. Enkele jaren later werd door of namens de burgemeester van de stad een slot vóór aan het huis van Jacob voer den Mortell binnen deser stat gelegen afgeslagen. Dit gebeurde kennelijk ten onrechte, want op 10 september 1482 werd door de plaatsvervanger van de hoogschout aan de burgemeester vergiffenis geschonken van hetgeen hij hiermee aan de hertog misdaan had.1 Op 22 juni 1483 verhuurde Jacob het huis, gelegen in dat Mortelstraetken tussen die steeg en tussen erf van wijlen jonker Pauwels van Haestrecht, strekkend van de Dieze tot aan erf van wijlen Aart Ingrams, voor zeven jaar aan Willem Zuurmond.2
In een oorkonde van 24 september 1486 wordt verwezen naar een erfdeling, waarbij huizen en kameren van Aart van Beek waren gedeeld tussen de genoemde Luitgard en haar broer Hendrik van Beek. Hierbij was een kamer met haar ondergrond, gelegen aan de kant van de poort naar de Verwerstraat toe, samen met de dakdruppen aan beide zijden van de poort en met de zolder en bebouwing over de weg aldaar, en een huis, erf en tuin, gelegen tussen de genoemde weg en tussen erf van Jordaan Aart Tielkens, en de helft van een grote tuin over het water, namelijk de helft gelegen naar het begardenklooster toe - dus de genoemde oostelijke helft - aan Luitgard voor de ene helft en aan de kinderen van Jacob Goes voor de andere helft ten deel waren gevallen. Later was de helft van die tuin aan de begarden gekomen. Op genoemde datum droeg het klooster het grootste deel van die helft, en wel het deel naar het zuiden toe, over aan de stad. Er volgen gedetailleerde bepalingen, waaruit onder meer blijkt dat dit tuingedeelte grensde aan de achtererven van de huizen in de Beurdsestraat, waarmee toen overigens ook de Weversplaats bedoeld kon zijn. De stad bestemde dit gebied voor het plaatsen van lakenramen.3
 quondam Goedscalco et quondam Beatrice sua uxore, filia quondam Petri Polslouwers, ab eodem quondam Petro et quondam Katherina sua uxore, filia dicti quondam Arnoldi de Beke, pariter genitarum!, (hier een verwijzingsteken om iets tussen te voegen) Zweneldis filia legitima Heylwigis et quondam Tielmanni Arts soen predictorum atque Iohannes de Arkel, filius quondam Petri, medietatem nec non totam partem et omne ius ad ipsos ut dicebant spectantes in domo et area predictis; insuper medietatem ad ipsos ut dicebant spectantem in una medietate magni orti predicti ultra aquam ibidem siti, et que domus et area unacum orto ac reliquis suis iuribus et attinentiis pro nunc ibidem siti sunt inter quendam viculum ibidem protensum ex uno et inter hereditatem olim domicelli Pauli de Haestrecht, domini temporalis dum vixit de Venloen, nunc eius heredum ex alio, tendentes a quodam fossato ibidem ad hereditatem Arnoldi Yngraems soen predictum, et dicta medietas magni orti predicti que sita est ibidem versus vicum Tinctorum dictum die Verwerstraet, ut dicebat, hereditarie supportaverunt Iacobo de Fine --- excepto hereditario censu trium librarum monete, quem dicta Luytgardis ex premissis quibusdam piis locis solvendis in suo testamento seu ultima voluntate legaverat atque reliquerat. Testes Hedel en Hals. Datum quarta februarii.
1.R. 1251, f. 221v.: Wij Aa et Ghent, scepenen in sHertogenbosch, doen kont enenyegelijcken dat huyden opden dach datum deser letteren voer ons scepenen voirscreven ende die drie leden deser stat gestanden is geweest in proprien persoen Roloff Dicbier als stadhouder des hogenscouthet deser stat, ende heeft die selve Roeloff ter begerte vanden selven drie leden quijt gescouden ende mids desen quijt schelt Thomas die Coster, borgermeester deser stat, ende alle ander? van allet gheen dat sij! tegen onser genedigen heer den hertoge misdaen mochte hebben van dat sij een slot staende voer aenden huyse Jacops vanden Eynde voer den Mortell binnen deser stat gelegen hadden affgeslagen ofte doen affslaen, ende heeft hen dat altesamen vergheven. Des torconden hebben wij scepenen voirscreven onsen zegelen aen dese letteren doen hangen opden thienden dach in septembri int jaer xiiiic lxxxiio.
 
Tradatur dicto Thome.
2.R. 1252, f. 326v.-327.: Iacobus vanden Eynde domum suam et aream cum suis iuribus et attinentiis, sitis in Buscoducis in viculo dicto dat Mortelstraetken inter eundem viculum ex uno et inter hereditatem quondam domicelli Pauli de Haestrecht dum vixit domini temporalis de Venloen ex alio, tendentem a Dyesa ibidem fluentem ad hereditatem quondam Arnoldi Yngrams, ut dicebat, locavit recto locacionis modo Willelmo Zuermont, ab eodem Zuermont ad spacium septem annorum festum nativitatis Iohannis Baptiste proxime futurum sine medio sequentium, habendam et possidendam pro annuo pactu duodecim aureis florenis Renensibus --- mediatim nativitatis Domini et mediatim nativitatis Iohannis Baptiste ---, tali annexa condicione quod dictus Iacobus dictam domum et aream interim expensis suis de tectu et parietibus in bona et laudabile disposicione conservabit ---. Datum xxii iunii.
3.R. 1255, f. 340v.-342: Notum sit universis quod cum Hermannus filius quondam Wijnrici de Oyen domum et areamn ad se spectantem, sitam in Buscoducis in vico tendente a quodam ponte dicto communiter des Coninxbrugge versus pontem dictum communiter Loefs brugge inter hereditatem quondam Iohannis de Gestel ex uno et inter quandam communem aquam ibidem ex alio, cum omnibus et singulis hereditatibus retro dictam domum et aream situatis, dictis communiter die Mortel, ad dictam domum et aream spectantibus, prout huiusmodi hereditates die Mortel communiter vocatis ibidem sunt situate et circumfossate, simul cum fossatis circum circa! dictas hereditates die Mortel vocatas situatis et ad easdem hereditates dictas die Mortel vocatas de iure spectantibus, hereditarie vendidisset Arnoldo de Beke, filio naturali quondam domini Arnoldi de
 Beke, presbiteri, prout in litteris; et cum deinde Henricus de Beke et Luytgardus eius soror, liberi quondam Arnoldi de Beke, filii naturalis quondam domini Arnoldi de Beke, presbiteri, unacum aliis suis coheredibus palam recognovissent se quandam divisionem hereditariam mutuo fecisse de mansione cum suis attinentiis communiter die Mortel vocatis quondam Arnoldi predicti, sitis in Buscoducis iuxta pontem dictum communiter die Coninxbrugge atque de domibus et cameris que fuerant dicti quondam Arnoldi tempore decessus eius ibidem iuxta et ante predictam mansionem sitis, et mediante qua divisione inter cetera quedam camera cum suo fundo, sita a latere dicte porte! versus vicum die Colperstraet, simul cum stillicidiis ab utroque latere dicte porte stantibus atque cum solario et edificiis supra viam ibidem consistentibus, atque domus et area et ortus cum suis fundis, siti inter predictam viam ex uno et inter hereditatem Iordani filii Arnoldi Tielkini ex alio, atque medietas cuiusdam magni orti ultra aquam ibidem siti, scilicet dividendo ipsum ortum in duas partes vel medietates equales, videlicet illa medietas que sita est versus conventum bogardorum prefati Luytgardi pro una medietate et liberis Iacobi Goes pro reliqua medietatem in partem cessissent, prout in litteris divisionis scabinorum de Buscoducis super hoc confectis plenius continetur; cumque vero dumtaxat eadem medietas magni orti predicti diversis mediis? et supportacionibus inter nevieritibus? demississet postmodum ad conventum fratrum bogardorum pretactum! iuxta continentiam quarundam diversarum aliarum litterarum desuper confectarum; quarum quidem litterarum vigore ipsa medietas magni orti pretacti den Mortel vocati ad eundem conventum pronunc spectare dinoscitur, ut dicebatur; constituti igitur coram scabinis infrascriptis fratres Iohannes de Peer, minister, Willelmus de Rueremunda, Symon de Zoemeren, Adam de Peer, Nycolaus de Dumo et Anthonius Scriniparis de monte sancte Geertrudis, presbiteri, necnon Iohannes Gheynster, Coenrardus de Goch et Adrianus de monte sancte Geertrudis, laiici, pronunc conventuales dicti conventus fratrum bogardorum 3a regule sancti Francisci, siti ibidem iuxta vicum Tinctorum, nomine et ex parte eorum et dicti conventus et quorumcumque aliorum conventualium eiusdem conventus presentium et futurorum, potentes ad infrascripta ut dicebant, maiorem partem seu porcionem sumptam de eadem medietate dicti magni orti, illam scilicet maiorem partem sue porcionem eiusdem medietatis dicti magni orti que sita est ibidem ad finem versus austrum inter reliquam medietatem dicti magni orti den Mortel vocati, quodam communi via sumpta de hac medietate per opidem ibidem ordinata et reservata que tendit per et trans hanc medietatem, quodam novo muro lapideo per opidum ibidem nuperrime situato interiacente, ex uno et inter hereditatem dicti conventus, quodam muro lapideo een heymmuer communiter vocato eiusdem conventus interiacente, necnon hereditates diversorum vicinorum vander Boertscher straten ex alio, tendentem a residuo seu reliqua minori parte dicte medietatis dicti magni orti per dictum conventum in hiis reservatis, quodam alio novo muro lapideo transversali, eciam per ipsum opidum ibidem noviter constructo interiacente retrorsum usque ad hereditates Iohannis Oems iunioris et quorundam aliorum vicinorum ibidem, quemadmodum primodicta pars seu porcio dicte medietatis magni orti den Mortel vocati ibidem pronunc sita est et per dictos muros ibidem divisa et palata iacet, simul cum via predicta et cum integro novo muro predicto et cum medietate dicti muri transversali in? reliqua vero medietate eiusdem muri dicto conventui in hiis reservata, simul eciam cum reliquis iuribus et attinentiis supradicte maioris partis seu porcionis medietatis dicti magni orti ac vie predicte singulis et universis, ut dicebant, hereditarie supportaverunt michi ad opus opidi de Buscoducis, cum litteris, aliis et iure occasionis ---, hoc tamen adiecto et in premissis condicionato quod dictum opidum annuatim exinde solvet ac solvere tenebitur censum fundi domino nostri regi hereditarium censum trium et domidii librarum monete capitulo ecclesie sancti Iohannis evangeliste in Buscoducis et hereditarium censum dimidie libre dicte monete fabrice eiusdem ecclesie ex premissis annuatim e iure solvendis, ut dicebant ---, condicionibus infrascriptis in hiis tamen annexis ac partibus hincinde salvis et reservatis. Item in primis vero condicionatum est quod dicta maior pars seu porcio medietatis dicti orti citius quo commode fieri poterit applicari debeat ad usum et commodum officii textorum laneorum in profectum tamen rei publice istius opidi, videlicet in locum ubi reponi debeant pannitensoria dicta die laken ramen, hoc tamen salvo, in casu quo res illa de huiusmodi pannitensoriis propter aliquam causam repugnantis? progressum non habuerit, quod extunc et in illa casu nec per opidum nec per quicumque alium in eodem loco, ymmo, nil quicquam attemptari seu exerceri debeat quacumque occasione quod? eum? sit aut cedere seu redividare poterit quovismodo in aliquod detrimentum seu gravamen dicti conventus fratrum bogardorum ibidem contigue adiacentis aut in aliquam turbacionem seu molestacionem fratrum in eodem conventu pro tempore residentium, hoc eciam salvo in casu quo in eodem loco imposterum nonnulla? construuntur edificia, si que aut qualia fuerint, quod extunc et in eodem casu huiusmodi edificia de et a muro dicto heymmuer dicti conventus ibidem contigue adiacente, ymmo, utrobus? habebunt equalem distanciam, videlicet ad spacium quatuor decim pedatarum dictarum hamervoet et non minus. Insuper condicinatum est in premissis quod secundodictus murus, videlicet murus intersticialis per dictum opidum ibidem noviter edificatus, exnunc deinceps perpetue erit communis opido et conventui predictis, et quod nichilominus dictus conventus eundem murum suis propriis expensis et absque expensis dicti opidi exnunc deinceps perpetuo! in bona et laudabili dispositione tenebit et observabit tenereque et observare tenebitur. Postremo vero adhuc condicionatum est in premissis quod dictus conventus suis propriis et absque expensis dicti opidi ad et supra quandam communem aquam ibidem decurrentem, videlicet incipiendo ad finem medietatis dicti magni orti inter eandem aquam ex uno et inter reliquam partem aut residuum medietatis dicti orti, per dictum conventum in hiis ut premittitur reservatis ex alio, constituet aut constituti procurabit unum laudabile edificium lapideum, steenen warff communiter vocatum, tendens a quodam ponte, dat Mortel brugsken vocato, versus dictum conventum, videlicet usque ad murum eiusdem conventus, ac quod? idem edificium lapideum, steenen warff vocatum, idem
Bezitters:
Emond Rover >
Jan van Hellu >
zijn dochter Margriet, gehuwd met Herman Winriksz. van Oyen >
Aart Aartsz. van Beek >
zijn erfgenamen >
Jan van Kraandonk, weduwnaar van Luitgard Aartsdochter van Beek, helft 1475.05.11 >
Sander Ottenz. Piek van Batenburg
erfgenamen Aart van Beek helft 1480.02.04 >
Jacob van den Einde

Het Hof van Zevenbergen (Keizerstraat 4-16)

Het Hof van Zevenbergen was een samengesteld woonhuis, dat zijn naam ontleende aan Cornelis van Bergen, heer van Zevenbergen, die het complex voor het grootste deel in 1499 en 1500 verwierf.1 De kern ervan bestond uit het oostelijk deel, dat zoals niet ongebruikelijk was bij woonhuizen van edelen, aan het water stond. In dit geval was dat de Dieze (Kleine Vughterstroom) die er oostelijk langsstroomde. De brug over dit water in de Keizerstraat had verschillende namen, waaronder Koningsbrug en Lombardsbrug. De eerste naam was ontleend aan het hier behandelde huis Keizerstraat 4-10, dat als mansio een tijdlang in het bezit is geweest van Jan van Steensel de wapenkoning, ook wel coninc Jan genoemd.2 De naam Lombardsbrug was afkomstig van het huis aan de overzijde, de kern van het latere Keizershof. Dit huis was in de veertiende en vijftiende eeuw in het bezit van lombarden, geldleners op onderpand afkomstig uit Lombardije.3

Keizerstraat 4-10 (oostelijk deel Hof van Zevenbergen)

Het huis dat ten oosten hiervan gelegen was, het latere Keizerstraat 4-10, was in de jaren tachtig van de veertiende eeuw in het bezit van Jan van Brolyo. Op 17 september 1387 verkocht hij een cijns ten behoeve van het Clarissenklooster uit het woonhuis van wijlen Jan geheten coninck Jan van Steensel, eertijds schoonvader van Jan van Brolyo. Het huis stond in de straat van de Loefsbrug naar de Huls tussen het water aldaar en tussen erf van wijlen Gijb Herinc.4
Tot het complex behoorde toen al een westelijk hiervan gelegen huis en erf. Op 22 november verkocht Jan van Brolyo namelijk een cijns uit dit huis en erf, gelegen tegenover het Lombardenhuis tussen erf van Zebrecht van Heukelom de jonge en tussen de poort en het overige erf van de verkoper. Aan de achterzijde grensde dit westelijk hiervan gelegen huis en erf, het laatste met een lengte van 90
 conventus expensis suis propriis in huiusmodi bona et laudabili dispositione perpetue observabit observareque tenebitur, sic et taliter quod dicto opido in decursu sue aque pretacte incommoda seu impedimenta exinde non eveniant quovismodo in futurum ---. Datum xxiiiia septembris.Dicti fratres reservaverunt antiquas litteras et opidum recepit vidimus, dumtaxat, ex quadam littera originali et eciam ex littera divisionis hereditarie pretactis. Et partes hincinde fuerunt contenti.
1.R. 1267, f. 48v. (17 augustus 1499) en R. 1268, f. 263v. (17 maart 1500). Wat men over de voorgeschiedenis van dit complex in de literatuur aantreft is zeer gebrekkig.
2.Rijke Claren 43, f. 211-211v. (17 september 1387).
3.Zie het verslag van M.W.J. de Bruijn, De voorgeschiedenis van het Keizershof (Utrecht 2000; intern rapport nr. ...), passim.
4.Rijke Claren 43, f. 211-211v.: Iohannes dictus de Brolyo promisit ut debitor principalis Arnoldo Berwout ad opus conventus sancte Clare in Buscoducis quod ipse Iohannes predictus dabit et exsolvet sicto conventui annuum et hereditarium censum decem librarum monete --- anno quolibet hereditarie in festo Purificationis beate Marie virginis de et ex habitacione cum suis attinentiis quondam Iohannis dicti Coninck Jan de Steensel, soceri olim dicti Iohannis de Brolio, nunc ad eundem Iohannem de Brolio spectante, sita in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefsbrugge versus plateam dictam die Huls inter aquam ibidem decurrentem ex uno latere et inter hereditatem quondam Gibonis dicti Herinc ex alio latere, ut ipse dicebat --- (volgen geloften en voorwaarden), hac eciam conditione annexa quod Iohanna filia antedicti Iohannis de Brolyo, monialis antedicti conventus, predictum hereditarium censum decem librarum ad vitam eiusdem Iohanne et non ultra habebit et possidebit. ---. Datum in festo Lamberti martiris anno Domini millesimo tricentesimo octogesimoseptimo.
voet (25,85 m), ook aan erf van Jan van Brolyo.1
Hierna zal dit hele complex in het bezit zijn gekomen van mr. Jan van Best, die het echter al spoedig daarna moet hebben doorverkocht aan Amelis de Wilde van Heusden. Deze droeg het op 23 december 1405 over aan Heimerik van Groy. Het werd toen onschreven als ‘de woning van wijlen Jan geheten coninc Jan Steensel, schoonvader van Jan van Brolyo, die later aan dezelfde Jan van Brolyo toebehoorde’. Het werd opnieuw gesitueerd tussen het water en erf van wijlen Gijb Herinc.2
Op 11 september 1431 droeg Agnes weduwe van Heimerik Groy het goed uit krachte van het testament dat zij en haar overleden man hadden gemaakt over aan Gerit van Zevenbergen, zoon van wijlen Hendrik van Zevenbergen. Een deel ervan werd vervolgens aan de weduwe verhuurd. Er was nu sprake van een woonhuis - mansio - bestaande uit voorhuis en achterhuis, en een erf en tuin met al zijn toebehoren. Dit omvatte ook bebouwing op het genoemde erf. Voorts behoorde tot het complex de helft van de zijgracht naar het erf van Marie van Doren toe en de hele eindgracht van de tuin naar de Weversplaats toe. Agnes, de weduwe van Heimerik Groy, kreeg een klein huis en erf, dat zij al bewoonde, in huur, samen met de eerste stal gelegen aan het eind van dit huis. Zij zou haar leven lang de poort naast het huis, de plaats en de gracht achter het grote huis mogen gebruiken voor de aan- en afvoer van goederen.
Het is onduidelijk welke gracht bedoeld is naast erf van Marie van den Doren. Het lijkt onwaarschijnlijk dat De Dieze (Kleine Vughterstroom) hier als openbaar water mee bedoeld is. Toch lijkt het er op dat dit het geval is. In 1430 is er sprake van het huis van wijlen Jan van den Doren wolwever, dat gesitueerd wordt bij de Lombardsbrug tussen erf van Mathijs van Teeffelen brouwer en tussen het openbare water aldaar, strekkend van de openbare straat tot erf van Ingram van Deurne. Met dit huis zal het westelijk deel van het latere Keizerstraat 2 bedoeld zijn.3 Ik kom hier nog op terug.
Onder verband van zijn mansio beloofde Gerit van Zevenbergen op 30 mei 1438 een aantal betalingen.4 Op 23 februari 1440 droeg hij haar over aan de norbertijenabdij van Berne. Hierbij deed Rutger Willemsz. van Erp afstand van het recht dat hij op het complex had.5
1.R. 1181, f. 110, blz. 217: Iohannes de Brolyo hereditarie vendidit Iohanni Berwout, filio Theoderico, hereditarium censum quatuor librarum monete, solvendum hereditarie mediatim nativitatis Domini et mediatim Iohannis Baptiste --- ex domo et area dicti venditoris, sita in Buscoducis in opposito mansionis Lombardorum ibidem inter hereditatem Ziberti de Hoculem iunioris ex uno et inter portam et reliquam hereditatem dicti venditoris ibidem sitas ex alio, et que domus et area a dicto vico retrorsum ad aliam hereditatem dicti venditoris mensurando nonaginta pedatas in longitudine continet ---. Datum sexta post Elizabeth.
2.GAH, R. 1184, fol. 239-239v.: Amelius die Wilde de Huesden habitacionem cum suis attinentiis quondam Iohannis dicti Coninc Jan Steensel, soceri dudum Iohannis de Brolyo, que postea ad eundem Iohannem de Brolyo spectabat, sitam in Buscoducis in vico tendente de ponte dicto Loefsbrugge versus vicum dictum die Huls inter aquam ibidem decurrentem ex uno et inter hereditatem quondam Ghibonis Herinc ex alio, quam mansionem cum suis attinentiis dictus Amelius erga magistrum Iohannem de Best acquisierat, prout in litteris hereditarie suppor­tavit Heymerico Groy cum litteris et aliis et iure, promittens (super)a omnia ratum servare ac obligationem ex parte sui deponere. Testes Lu et Heyme. Datum quarta post Thome.
 a Dit woord ontbreekt.
3.R. 1201, f. 7: Claryssa relicta quondam Iohannis vanden Doren textorem laneorum cum tutore usufructum sibi competentem in una sexta parte domus et aree site in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombartsbrugge inter hereditatem Mathye van Tefelen braxatoris et uno et inter communem aquam ibidem fluentem ex alio, tendentis a communi vico ad hereditatem Yngrami de Doerne, ut dicebat, hereditarie supportavit Iohanni suo filio ---. Datum xxvi octobris.
 Notum sit universis quod cum ita actum fuisset unt in contractu precedente, constitutus igitur dictus Iohannes filius quondam Iohannis dictam sextam partem dicte domus et aree hereditarie vendidit Henrico Vos, filio quondam Arnoldi Vos textoris laneorum ---. Testes, datum supra.
4.R. 1208, f. 406.
5.R. 1210, f. 41: Gerardus de Zovenbergen, filius quondam Henrici de Zovenbergen, mansionem quandam tam anteriorem quam posteriorem, tam magnam quam parvam, quondam Heymerici Groy, et aream et ortum cum suis attinentiis universis, sitos in Buscoducis in vico tendente de ponte dicto Loefs brugge versus vicum dictum Huls inter aquam ibidem fluentem et uno et inter hereditatem Gibonis Herinc ex alio, cum edificiis in dicta hereditate seu area consistente, simul cum medio fossato laterali ibidem sito versus hereditatem Marie vanden Doren et cum integro fossato finali dicti orti versus locum dictum die Weverplaets, quos mansionem, aream et ortum cum suis attinentiis predictos dictus Gerardus de Zovenberghen erga Agnetem relictam quondam Heymerici Groy acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit
Op 10 oktober 1454 werd het huis, waar toen Gozewijn Heym in woonde, voor twaalf jaar verhuurd aan de Bossche lombard Matheus van Boudranijs. Het werd hierbij gesitueerd tussen erf van Willem Jansz. Dicbier en het water.1 Op 7 januari 1461 vervolgens transporteerde de abdij het complex aan Van Boudranijs,2 die het op zijn beurt samen met zijn vrouw Liesbet op 5 januari 1479 overdroeg aan de abdij Tongerlo. Het echtpaar mocht het huis gedurende hun beider leven blijven bewonen, waarbij zij als huisbewaarders voor de abdij zouden optreden.3 De abdij transporteerde het goed ten slotte op 17 augustus 1499 aan Cornelis van Bergen, heer van Zevenbergen.4

Bezitters:
Jan van Steensel wapenkoning
zijn schoonzoon Jan van Brolyo (1387.09.17)
 domino Petro de Hemert, abbati conventus Bernensis, ad opus abbatis et conventus predicti ---. Datum xxiii februarii.
 ---.
 Rutgerus de Erpe, filius quondam Willelmi, super premissis et iure ad opus domini Petri et conventus predictorum hereditarie renunciavit ---. Datum 2a aprilis, sabbato post Pasche.
1.GAH, R. 1225, fol. 150: Dominus Petrus de Hemert, abbas monasterii de Berna, ordinis premonstraten­sis, domum ac mansionem dicti domini abbatis, sitas in Buscoducis apud pontem Lombardorum, prout de presente Goeswinus! (Heym)a inhabitat, inter heredita­tem Willelmi Dicbier, filii Iohannis, ex uno et inter aquam ibidem fluentem ex alio, cum omnibus edificiis et attinentiis dictarum domus et mansionis, prout ibidem site sunt et ad dictum dominum abbatem et eius monasterium spectare dinoscitur, ut dicebat, locavit vero? locationis modo Matheo de Boudranijs, ab eodem ad spatium duodecim annorum, festum nativitatis beati Iohannis proxime futurum sine medio sequentium, pro censu domini nostri ducis exinde e iure solvendo, dando ab eo? dicto spatio annorum durante terminis et locis ad hoc debitis et consuetis, promittens sub obligatione omnium bonorum dicti monasterii warandiam dicto spatio annorum durante et obligationem deponere. Testes, datum supra (= Arnoldus Berwout et Spiker. Datum xa octobris).
 a Dit woordt ontbreekt.
2.Zie R. van Uytven, ‘De lombarden in Brabant in de Middeleeuwen’, in: H.F.J.M. van den Eerenbeemt (red.), Bankieren in Brabant in de loop der eeuwen (Tilburg 1987) 21-36. Zie over de Bossche lombarden ook M.W.J. de Bruijn, De voorgeschiedenis van het Keizershof, en L.P.L. Pirenne en W.J. Formsma, Koopmansgeest te ’s-Hertogenbosch in de vijftiende en zestiende eeuw (Nijmegen 1962).
3.R. 1248, f. 62v-63: Matheus de Boudranijs, maritus et tutor legitimus ut dicebat domicelle Elisabeth sue uxoris, et ipsa cum eodem tamquam tutore, mansionem quandam, tam anteriorem quam posteriorem, tam magnam quam parvam, quondam Heymerici Groy ac aream et ortum cum suis attinentiis universis, sitos in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loeffs brugge versus vicum dictum die Huls inter aquam ibidem fluentem ex uno et inter hereditatem Gibonis Herinc ex alio, cum edificiis in dicta hereditate seu area consistentem, simul cum medio fossato laterali ibidem sito versus hereditatem Marie vanden Doren et cum integro fossato finali dicti orti, sito versus locum dictum die Weverplaets, quos mansionem, aream et ortum cum suis attinentiis predictis dictus Matheus erga dominos Marcelium de Macharen?, abbatem, Iohannem Borchgreve, priorem, Bartholomeum vanden Hove, suppriore, Ghiselbertum Noye, prepositum, Henricum de Palude et Arnoldum de Wijck, conventuales conventus sue monasterii de Berna ordinis Premonstratensis Traiectensis diocesis, acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit michi ad opus domini abbatis pro tempore et conventus beate Marie virginis in Tongerloe siti ---. Datum quinta ianuarii.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dominus Wernerus de Halleer, abbas conventus beate Marie virginis in Tongerloe sui predicti, palam recognovit et sub obligatione omnium bonorum dicti conventus beate Marie dictis Matheo et domicelle Elisabeth repromisit quod ipsi ambo et superstes ex eis predictam mansionem, tam anteriorem quam posteriorem, tam magnam quam parvam, aream et ortum cum suis attinentiis predictis occasione dicte supportacionis et ex virtute certarum contractuum inter dictos abbatem ex una et Matheum et domicellam Elisabeth ex alia partibus in emptione promissorum factorum et precipue ex eo quod idem abbas predictam mansionem cum suis attinentiis predictis occasione inhabitacionis infrascripti? meliori forma? emit? quiete possidebunt et inhabitabunt ac diucius vivens ex eis quiete possidebit et inhabitabit quam castellana seu castellanus dictorum abbatis et conventus, et hoc cum huiusmodi commodis et profectibus sicut alii castellani dictorum abbatis et conventus in aliis eorum domibus habent et secundum quod hoc ordinabitur, et quod nichilominus dicti abbas et conventus interim dabunt et annuatim solvent omnes et singulos census et redditibus ex premissis solvendis, et quod ipsa premissa eciam conservabunt in bona et laudabili disposicione et de omnibus refectionibus notabilibus providebunt, hoc salvo quod idem abbas et conventus de dicta parva domo interim ad eorum nutum disponere poterint et profectus et emolumenta exinde provenientes ad eorum proxime commodo et usu applicare, atque quod iidem abbas et conventus et omnes eorum famuli? et servatores in premissis mansionem venire poterunt et hospitari ibidem debebunt? et quod ipsi eciam eorum bona ibidem adducere et locare poterunt absque dolo et fraude. Testes, datum supra.
4.R. 1267, f. 48v.
mr. Jan van Best
Amelis de Wilde van Heusden 1405.12.23 >
Heimerik Groy
zijn weduwe Agnes 1431.09.11 >
Gerit van Zevenbergen 1440.02.23 >
de abdij Berne 1461.01.07 >
Matheus van Bouderanijs 1479.01.05 >
de abdij Tongerlo 1499.08.17 >
Cornelis van Bergen, heer van Zevenbergen

Westelijk deel van het Hof van Zevenbergen (Keizerstraat 12-14)

Het Hof van Zevenbergen, dat later het Rooms Burgerweeshuis huisvestte, omvatte hiernaast ook nog enkele huizen. Het meest oostelijke hiervan, grenzend aan de mansio van de wapenkoning Jan van Steensel, was in de tweede helft van de veertiende eeuw eerst in het bezit van Klaas Piek, die het verkocht aan Gijsbrecht Herinc. Diens zoon Gerit Knode, die het van zijn ouders had geërfd en bij deling had verkregen, droeg het op 14 maart 1398 over aan zijn zwager Zebrecht van Heukelom (de jonge). Aan de westkant grensde dit huis aan erf van Jan van de Steen.1
Hierna is het huis in het bezit gekomen van de arts mr. Jacob van Uden, die ook twee aangrenzende panden heeft bezeten. Mogelijk hoorde hierbij dus ook het huis van Jan van de Steen. Waarschijnlijk wilde mr. Jacob van Uden het middelste van zijn huizen in 1419 uitgeven ten erfcijns. De akte, die staat tussen akten van 16 augustus van dat jaar, is echter niet afgewerkt. Er wordt gesproken van een huis, erf en tuin tussen erf van mr. Jacob aan beide kanten, strekkend vanaf de straat tot aan de muur van het vroegere huis van Jacob. De breedte van het complex bedroeg slechts 14 voet (4,02 meter). Het ging dus eerder om een zogeheten kamer dan een huis. In de akte is sprake van het derde deel van een cijns die verder ook betaald werd uit twee andere huiserven van mr. Jacob, waarop twee van dergelijke kameren stonden.2
In een hierna nog te behandelen akte van 21 oktober 1456 is sprake van twee stenen huizen, tuinen en daaraanliggende kameren, gelegen tussen erf van de abdij Berne en erf van Dirk de Visser.3 Mogelijk bestond deze situatie al in 1419, maar helemaal duidelijk wordt dat uit de bewaard gebleven
1.R. 1181, f. 55, blz. 109: Gerardus Cnode, filius quondam Ghiselberti Herinc, filii quondam Gerardi Cnode, domum quandam et aream sitam in Buscoducis ad vicum tendentem de vico dicto die Aude Huls versus hereditatem domine dicte vander Lake inter hereditatem Iohannis dicti Coninc Jan de Steensel ex una parte et inter hereditatem Iohannis de Lapide parte ex altera adiacente, cum eiusdem domus et aree predicte attinentiis ibidem sitis, quam domum et aream cum suis attinentiis universis dictus quondam Ghiselbertus Herinc erga Nycholaum dictum Pyeke emendo acquisierat, et que domus et area cum suis attinentiis Gerardus de morte suorum quondam parentum successione est advoluta et sibi? mediante hereditaria divisione habita inter ipsum et suos coheredes cessit in partem, prout in litteris, hereditarie supportavit Zeberto de Hoculem iuniori, suo sororio ---. Datum quinta post Oculi.
2.R. 1191, f. 165 nw.: Magister Iacobus de Uden phisicus domum et aream necnon ortum, sitos in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Coninckupers brugghe versus cappellam sancti Georgii inter hereditatem dicti magistri Iacobi ex utroque latere, tendentes a dicto vico retrorsum ad murum olim domus dicti magistri Iacobi, que area in latitudine xiiii pedatas continere dicitur, ut dicebat, dedit ad hereditarium censum Gerardo Tymmerman, filio quondam Iordani Tymmerman, ab eodem hereditario iure habendum et possidendum pro tercia parte hereditarii census unius et dimidii grossorum ex dicta area necnon duabus areis aliis dicti magistri Iacobi, in quibus due camere stare consueverant domino nostro duci solvendi, dandi ab altero terminis et locis debitis, sic quod magistro Iacobo predicto dampna exinde non eveniant in futurum, necnon pro hereditario censu quinque et dimidie librarum monete, dando sibi ab altero hereditarie mediatim nativitatis Domini et mediatim Pasche ex premissis, promittens super omnia warandiam et alias obligationem et impetitionem deponere, tali condicione annexa quod dictus Gerardus non poterit sua edificia per ipsum umquam in dicta area ac orto edificanda ad tantam altitudinem extendere aut elevare quod per hoc dicto magistro Iacobo in suis edificiis ibidem in reliquis suis hereditatibus circumquaque coadiacentibus edificatis? edificandis aut situandis, in percepcione aut introitu aeris aut luminis non fiat impedimentum. Quo facto alter repromisit ex premissis et dictam condicionem firmiter tenere et adimplere (niet afgemaakt).
 Tussen akten van xxvi (doorgehaald: xvi) augusti en xvi augusti, dus vermoedelijk opgemaakt op 16 augustus.
3.R. 1227, f. 313.
gegevens niet.
Hierna is dit complex, of althans een deel ervan, na het overlijden van mr. Jacob van Uden in het bezit is gekomen van zijn weduwe Heilwig.1 Op 3 september 1436 beloofde Roelof Schilder dat zijn broer Gerit en diens vrouw Heilwig het huis, erf en tuin die wijlen Heilwig van Uden bij testament aan Roelof vermaakt had, gedurende hun beider leven zouden mogen gebruiken.2
Een ander deel van het complex - waarschijnlijk het middelste - was in deze tijd in het bezit van Willem Jansz. Dicbier, wellicht ook een erfgenaam van Heilwig weduwe van Jacob van Uden. Willem Dicbier verkocht op 1 april 1440 een pacht van 2½ mud rogge uit onder meer een hem toebehorende helft in een huis en tuin over de Lombardsbrug tegenover het woonhuis van de lombarden tussen erf van Roelof Schilder aan de ene zijde en tussen erf van Liesbet van Eik en Roelof en Willem voornoemd aan de andere zijde.3
Kennelijk heeft Roelof Schilder hierna de drie percelen weten te verenigen, gezien de cijns die hij op 29 maart 1447 verkocht ‘van en uit huizen, erven en tuinen met hun toebehoren van de verkoper, gelegen in ’s-Hertogenbosch over de Lombardsbrug tussen erf van abt en convent van Berne aan de ene en tussen erf van wijlen Laureis Back vleeshouwer en de gracht aldaar aan de andere zijde, strekkend van de openbare straat tot de aldaar gelegen gracht.4
Vóór 15 oktober 1455 moet het geheel in handen zijn gekomen van Willem Jansz. Dicbier en daarna van zijn weduwe Luitgard. Deze laatste verkocht op deze datum een cijns uit haar huis en erf en daaraanliggende kameren tussen erf van Berne en erf van Dirk de Visser5 en op 21 oktober 1456 uit twee stenen huizen enzovoorts als hiervóór vermeld.6
1.R. 1230, f. 118v.: olim ad Heilwigem relictam quondam magistri Iacobi de Uden, depost ad Gerardum Scilder spectantes.
2.R. 1206, f. 210v.: Rodolphus Scilder, filius quondam Gerardi Scilder, palam recognovit et super omnia et habenda dicto Gerardo suo patri promisit quod ipse idem Gerardus et Heilwigis eius uxor et alter eorum diucius vivens et non ultra habebunt et possidebunt domum, aream et ortum, sitos in Buscoducis iuxta pontem Lombardorum, quos domum, aream et ortum quondam Heilwigis de Uden in eius testamento legaverat Rodolpho predicto, hoc tamen dicto Rodolpho salvo quod ipse, predicto recognitione et promissione non obstante, vendere, alienare et obligare poterit domum, aream et ortum predictos, quod si se? fecerit?, intimabit ac intimare tenebitur et Gerardo aut sue uxori predictis aut alteri eorum diucius viventi, qua intimatione ut premittitur facta? idem Gerardus et eius uxor ac eorum alter per dimidium annum post dictam intimationem dictam domum, aream et ortum libere possidere poterunt et depost manus suas libere detrahere poterunt, ut idem Gerardus recognovit et consensit. Testes, datum supra (= 3a septembris).
3.GAH, R. 1210, fol. 190: Willelmus Dicbier, filius Iohannis, heeft verkocht een erfelijke pacht van 2½ mud rogge onder andere de et ex medietate ad dictum venditorem spectante in domo et orto, sitis in Buscoducis ultra pontem Lomberdorum!, ibidem in opposito domus habitacionis dictorum lombardorum inter hereditatem Rodolphi Scilder ex uno et inter hereditatem Elizabet de Eycke et Rodolphi predicti atque supradicti Willelmi ex alio ---. (Datum prima aprilis, sexta post Pasche).
4.R. 1217, f. 304: Rodolphus Scilder hereditarie vendidit michi ad opus Rutgheri Hoen, filii quondam Iohannis, hereditarium censum quinque aureorum denariorum communiter rijders vocatorum vel valorem, hereditarie Pasche --- de et ex domibus, areis et ortis cum suis attinentiis eiusdem venditoris, sitis in Buscoducis ultra pontem Lombardorum inter hereditatem abbatis et conventus de Berna ex uno et inter hereditatem olim Laurencii Back carnificis et fossatum ibidem ex alio, tendentibus a communi vico ad fossatum ibidem situatum ---. Datum supra (= xxix marcii, quarta post Iudica). Op 9 juni 1460 droeg Rutger deze cijns over aan het Clarissenklooster (R. 1230, f. 319).
5.R. 1226, f. 207: Domicella Luytgardis, relicta quondam Willelmi Dicbier, filii quondam Iohannis, cum tutore, hereditarie vendidit Rodolpho dicto Dicbier, filio Willelmi Dicbier, filii quondam Henrici, hereditarium censum quatuordecim aureorum florenorum communiter overlens Rijnsgulden vel valorem eorundem in alio pagamento, solvendum hereditarie mediatim Pasche et mediatim Remigii --- de et ex domo et area eiusdem domicelle ac cameris sibi coadiacentibus, sitis in Buscoducis prope pontem Lombardorum inter hereditatem monasterii de Berna ex uno et inter hereditatem Theoderici die Visscher ex alio, tendentibus a communi plathea ibidem ad hereditatem dicti monasterii --- (volgt voorwaarde betreffende de vererving). Datum xvta octobris.
6.R. 1227, f. 313: Domicella Luytgardis relicta quondam Willelmi Dicbier, filii Iohannis, cum tutore, hereditarie vendidit michi ad opus Katherine relicte quondam Theoderici sBressers hereditariam pactionem duorum modiorum siliginis mensure de Buscoducis, solvendum hereditarie Purificationis et in Buscoducis tradendum de et ex duabus domibus lapideis, ortis et cameris sibi coadiacentibus, sitis in Buscoducis in vico tendente a ponte Lombardorum versus cappellam sancti Georgii inter hereditatem conventus de Berna ex uno et inter hereditatem Theoderici die Visscher ex alio, tendentibus a dicto vico ad hereditatem dicti conventus ---. Testes, datum supra (= xxi octobris).
Hierna heeft Zweder van Vianen het complex bij schepenvonnis verkregen ten behoeve van jonkvrouw Liesbet dochter van wijlen Willem de Rover, weduwe van Adam van der Duyn. Liesbet kreeg het recht van vruchtgebruik en haar kinderen het erfelijk recht. Op 16 augustus 1460 droeg Zweder van Vianen als man van genoemde Liesbet haar vruchtgebruik over aan Hendrik Dirksz. van den Haut. Gesproken werd nu van huizen, erven en tuinen met twee daaraanliggende kameren, eertijds aan Heilwig weduwe van mr. Jacob van Uden toebehorend, later aan Gerit Schilder, gelegen bij de Lombardsbrug tussen erf van eertijds Heimerik Groy, nu de abt van Berne, aan de ene zijde en tussen erf van Dirk de Visser schoenmaker aan de andere zijde.1 Hierna moet dit recht toch weer in het bezit van jonkvrouw Liesbet zijn gekomen, want op 19 april 1463 transporteerde Zweder van Vianen als man van Liesbet haar vruchtgebruik aan de kinderen van Liesbet en Adam van der Duyn, die het hele complex vervolgens overdroegen aan Gijsbrecht Gijsbrechtsz. de Kok.2 Deze verwierf op 5 juli 1468 ook het westelijk hiernaast gelegen huis en erf.3
In ieder geval het huis naast dat van de abdij Berne, later Matheus de Boudranijs, is in het bezit gekomen van Gozewijn Heym, die gehuwd was met Gijsbrecht de Koks zuster Liesbet. Het echtpaar woonde daar ook. Op 7 januari 1471 beloofden Gijsbrecht en zijn zuster, inmiddels weduwe, krachtens het testament van haar overleden man een cijns uit onder meer het vroegere woonhuis van Gozewijn, waar toen de weduwe in woonde, tussen de Lombardsbrug en de Sint-Joriskapel naast erf van Matheus van Boudranijs.4
1.R. 1230, f. 118v.-119: Notum sit universis quod cum Zwederus van Vyanen domos, areas et ortos cum duabus cameris eis adiacentibus, olim ad Heilwigem relictam quondam magistri Iacobi de Uden, depost ad Gerardum Scilder spectantes, sitos in Buscoducis prope pontem Lombardorum inter hereditatem olim Heymerici Groys, nunc abbatis Bernensis, ex uno et inter hereditatem Theoderici die Vysscher sutoris ex alio atque domos, areas, ortos et hereditates Willelmi Dicbier, filii Iohannis, sitos in parochia de Gestel prope Heerlaer necnon singula alia bona dicti Willelmi, habita et habenda, quocumque locorum consistentia, sita aut solvenda, ad opus dicte domicelle Elizabeth filie quondam Willelmi die Rover, relicte quondam Ade vander Duyn quo ad eius usufructum et ad opus liberorum Elizabeth et quondam Ade predictorum, ab eisdem pariter genitorum, quo ad ius hereditarium (erga)a Gerardum Mol de Driel per iudicem mediante sententia scabinorum in Buscoducis emendo acquivisisset, prout in litteris; constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Zwederus, maritus et tutor legitimus dicte domicelle Elisabeth, usufructum et totum ius sue vitalis possessionis quod ipse habet in premissis, legitime supportavit Henrico vanden Haut, filio quondam Theoderici ---, salvo sibi suo hereditario censu quinquaginta aureorum denariorum Philippus scilde vocatorum ---. Testes, datum supra (= xvi augusti).
 a Dit woord ontbreekt.
2.R. 1232, f. 385: Zwederus de Vyanen, maritus legitimus ut dicebat domicelle Elisabeth sue uxoris, filie quondam Willelmi die Rover, relicte quondam Ade vander Duyn, et ipsa cum eodem tamquam cum suo tutore, usufructum ac totum ius vitalis possessionis dicti domicelle Elisabeth ut dicebat competentem in domibus, areis, ortis cum duabus cameris adiacentibus, olim ad Heilwigem relictam dum vixit quondam magistri Iacobi de Uden, depost ad Gerardum Scilder, spectantibus, sitis in Buscoducis prope pontem Lombardorum inter hereditatem olim Heymerici Groys, nunc abbatis Bernensis, ex uno et inter hereditatem Theoderici die Visscher sutoris ex alio, quos domos, areas et ortos cum duabus cameris simul cum quibusdam aliis bonis dictus dominus Zwederus ad opus dicte domicelle Elisabeth sue uxoris quo ad eius usufructum et ad opus liberorum domicelle Elisabeth predicte, ab eadem et quondam Ade vander Duyn genitorum, quo ad hereditarium ius eorundem liberorum erga Gerardum Moll de Driel per iudicem mediante sententia scabinorum in Buscoducis emendo acquisierat, prout in litteris, legitime supportaverunt Iacobo filio domicelle Elisabeth et quondam Ade predictorum ad opus sui et ad opus Willelmi et Ade fratrum, liberorum domicelle Elisabeth et quondam Ade predictorum ---. Quo facto dictus Iacobus filius domicelle Elisabeth et quondam Ade predictorum supradictos domos, areas et ortos cum duabus cameris predictis hereditarie supportavit Ghiselberto die Kock, filio quondam Ghiselberti ---. Datum xix aprilis, tercia post Quasi modo.
 Dictus Iacobus promisit super omnia et habenda Ghiselberto predicto quod ipse Willelmum et Adam eius fratres, adhuc impuberes ut dicebat existentes, dum ad annos sue pubertatis pervenerint, super premissis et iure ad opus dicti Ghiselberti hereditarie faciet renunciare et secundum? promissionem? inde promittere quemadmodum esse? hodierna die inde fecerat et promiserat. Testes, datum supra. Op dezelfde dag droeg hij een cijns uit het complex over aan Gozewijn Heym (t.a.p.).
3.R. 1237, f. 44. Zie hierna.
4.R. 1240, f. 60v.-61: Ghiselbertus die Cock, filius quondam Ghiselberti, et domicella Elisabeth eius soror, filia dicti quondam Ghiselberti, relicta quondam Goeswini Heym, cum tutore, potens ad infrascripta vigore testamenti seu ultime voluntatis dicti quondam Goeswini, ut dicebant, promiserunt Nicolao filio Ambrosii vander Stegen quod ipsi dabunt et solvent dicto Nicolao hereditarium censum vigintiquinque florenorum Renensium --- hereditarie mediatim ipso die beati Anthonii confessoris et mediatim festo divisionis Apostolorum --- uit diverse goederen; item ex domo olim inhabitacionis
Dat Gijsbrecht de Kok hier ook nog rechten op behield, blijkt uit een schepenakte van 3 augustus 1473, waarin hij een cijns verkocht uit huis, huizen (!), erven, tuinen en stallen waarin Gozewijn Heym woonde in de straat van de Verwerstraat naar de Sint-Jorisstraat tussen erf van Matheus van Boudranijs en jonkvrouw Liesbet van Beuningen aan de ene zijde en tussen erf van Ide weduwe van Hendrik Artsz. speldenmaker aan de andere zijde, strekkend van eerstgenoemde straat tot erf van genoemde Matheus en Aart de Borchgreve.1
Vervolgens is het huis in bezit gekomen van de lombard Pagant de Lavalle, die het hierna snel lijkt te hebben doorverkocht aan Lambert Millinck.2 Deze wilde het huis begin 1495 overdragen aan Cornelis van Bergen, heer van Zevenbergen, maar de akte is niet afgewerkt.3 Later in het jaar, op 13 september 1497, erkende Pagant de Lavalle van Lambert Millinck 435 gulden te hebben ontvangen terzake van de verkoop van huis, erf en tuin nu van Cornelis van Bergen bij de Lombardsbrug.4 Lambert Millinck op zijn beurt verkocht het complex op 17 maart 1500 aan Cornelis van Bergen, die in 1499 al de oostelijk aangrenzende mansio van de abdij Tongerlo verworven had.5 De omschrijving van de huizen ten westen hiervan luidde: ‘huis en erf en achterhuizen en tuin van wijlen Gozewijn Heym, daarna echter van zijn zonen, de gebroeders Jan Heym en mr. Hendrik Heym, gelegen in ’s-Hertogenbosch ongeveer tegenover de kapel van Sint-Joris, ridder en martelaar, tussen erf van de heer abt van Tongerlo aan de ene zijde en tussen erf van Berend van Eerde alsook erf van verschillende andere buren aldaar, met een gracht daarachter tussenliggend, aan de andere zijde’.6
 dicti Goeswini et in qua idem Goeswinus decessit et dicta domicella Elisabeth ad presens moratur, sita in Buscoducis inter pontem Lombardorum et capelle sancti Georgii contigue iuxta hereditatem Mathei de Boudranijs; atque ex iuribus et attinentiis dicte domus singulis et universis, quam domum cum iuribus et attinentiis predictis in suo testamento seu ultima voluntate dicti Ghiselberto legaverat atque reliquerat? (volgen voorwaarden) ---. Datum decima septima ianuarii. Aldus ook op 25 februari 1475 (R. 1244, f. 82v.-83). Goed en ligging werden hier omschreven als domibus, areis, ortis inhabitacionis olim dicti Goeswini, nunc dicte domicelle Elisabeth, sitis in Buscoducis inter pontem Lombardorum et capellam sancti Georgii contigue iuxta hereditatem Mathei de Boudranijs ex uno et inter hereditatem Yde Spelmeker et Bernardi de Eerde ex alio.
1.R. 1242, f. 86: Ghiselbertus die Kock hereditarie vendidit Bernardo de Eerde, filio quondam Gerardi, hereditarium censum octo librarum monete, solvendum hereditarie Pasche de et ex domo, domibus, areis, ortis, stabulis cum suis fundis et attinentiis singulis et universis dicti Ghiselberti in quibus quondam Goeswinus Heym morari consuevit, sitis in Buscoducis in vico quo itur a vico tinctorum versus vicum sancti Georgii ultra pontem ibidem, die Lombards brugge vocatum, inter hereditatem Mathei de Boudranijs et domicelle Elisabeth de Boeningen ex uno et inter hereditatem Yde relicte quondam Henrici Arts soen spintrificis ex alio, tendentibus a primo dicto vico ad hereditatem dicti Mathei et Arnoldi die Borchgreve ---. Datum iii augusti.
2.Lambert Millinck was van 1477 tot 1498 laagschout van ’s-Hertogenbosch en in het begin van de zestiende eeuw ook enkele malen schepen (B.C.M. Jacobs, Justitie en politie te ’s-Hertogenbosch voor 1629 (Assen-Maastricht 1986) 240 en 269-270). Over zijn militaire activiteiten als verdediger van IJsselstein tijdens de zogeheten Stichtse burgeroorlog zie N.B. Tenhaeff, Bisschop David van Bourgondië en zijn stad (Utrecht 1920) 12, 18, 37, 41-42, en M.W.J. de Bruijn, IJsselstein de vesting (IJsselstein 2005) 78.
3.R. 1264, f. 118: Lambertus Myllinck domum et aream et domos posteriores et ortum olim Goeswini Heym, dehinc vero Iohannis Heym et magistri Henrici Heym fratrum, suorum filiorum, sitos in Buscoducis quasi in oppositum capelle sancti Georgii militis et martiris inter hereditatem domini abbatis de Tongerlo ex uno et inter hereditatem Bernardi van Eerde ex alio, simul cum iuribus et attinentiis premissorum singulis et universis, pridem supportatos dicto Lamberto a Pagano de Lavalle, prout in litteris, hereditarie supportavit nobili et generoso viro en domino domino Cornelio de Bergis, militi, domino temporali de (niet ingevuld; opengelaten regel) ---. Testes (en datum niet ingevuld).
 Datum vorige akte: 2a ianuarii.
4.R. 1265, f. 491: Pagant de Lavalle palam recognovit se recepisse a Lamberto Myllinc quadringentos et triginta quinque florenos dictos Andries gulden qui provenerant solvendos dicto Pagant a Lamberto predicto occasione venditionis domus et aree et orti nunc domini Cornelii de Bergis, domini temporalis de Zevenbergen etc., sitorum in Buscoducis iuxta pontem Lombardorum, ut dicebat, clamans inde quitum. Testes Buchoven et Ghijsselen. Datum xiii septembris.
5.Zie hiervóór.
6.R. 1268, f. 263v.: Lambertus Millinc domum et aream ac domos posteriores et ortum olim Goeswini Heym, dehinc vero Iohannis Heym et magistri Henrici Heym fratres, suorum filiorum, sitos in Buscoducis quasi in oppositum capelle sancti Georgii militis et martiris inter hereditatem domini abbatis de Tongeloe! ex uno et inter hereditatem Bernardi van Eerde necnon hereditatem quorundam aliorum vicinorum ibidem, fossato quodam ibi retro interiacente, ex alio, simul cum iuribus et attinentiis premissorum singulis et universis, pridem supportatos dicti Lamberto a Pagano de la Valle, prout in litteris,
Opmerkelijk is dat Cornelis van Bergen op 4 maart 1497 een cijns verkocht uit de ‘huizen, erven en tuinen daar wederzijds aanliggen van dezelfde heer Cornelis, gelegen in ’s-Hertogenbosch bij de Sint-Joriskapel tussen de aldaar stromende Dieze aan de ene en tussen erf van Berend van Eerde aan de andere zijde, strekkend van de openbare straat tot de erven geheten die Mortel.1
Zoals uit het voorgaande blijkt, is de bezitsgeschiedenis tamelijk onoverzichtelijk. Mogelijk hebben er, naast testamentaire beschikkingen, transporten plaatsgevonden buiten de gebruikelijke schepenakten om, die kennelijk rechtsgeldig werden geacht. Ook is het, zoals al in de inleiding van dit verslag is opgemerkt, denkbaar dat door de gebrekkige indicering fiches op andere plaatsen terechtgekomen zijn.

Bezitters:
Gijsbrecht Herinc
zijn zoon Gerit Knode 1398.03.14 >
zijn zwager Zebrecht van Heukelom
??
mr. Jacob van Uden >
zijn weduwe Heilwig van Uden bij testament >
Roelof Schilder
Gerit Schilder
zijn dochter Luitgard, gehuwd met Willem Dicbier
bij schepenvonnis >
Liesbet dochter van Willem de Rover, weduwe van Adam van der Duyn, en haar kinderen
Zweder van Vianen als man van Liesbet dochter van Willem de Rover haar vruchtgebruik 1460.08.16 >
Hendrik Dirksz. van den Haut
Zweder van Vianen als man van Liesbet haar vruchtgebruik 1463.04.19 >
de kinderen van Liesbet en Adam van der Duyn 1463.04.19 het goed >
Gijsbrecht Gijsbrechtsz. de Kok
het oostelijk deel >
zijn zuster Liesbet Gijsbrechtsdr. de Kok, gehuwd met Gozewijn Heym, bij testament >
Jan en Hendrik Heym, zonen van Gozewijn Heym
Pagant de Lavalle >
Lambert Millinck 1500.03.17 >
Cornelis van Bergen, heer van Zevenbergen

Het huis van de weduwe van Laureis Back (Keizerstraat 16)

Het meest westelijke huis van het latere Hof van Zevenbergen behoorde in de tweede helft van de veertiende eeuw eerst aan Jan Iwansz. Vleeshouwer, vervolgens aan Peter van Wetten en later aan Willem Sluysman, die het overdroeg aan Peter van den Hoernic. Op 8 juli 1395 droeg deze laatste een stukje erf van zijn erf gelegen tussen erf van Jan van Gelen en tussen erf van Jan de Bye over aan
 legitime et hereditarie supportavit nobili et generoso viro et domino domino Cornelio de Bergis, militi, domino temporali de Melijn, Sevenbergen, Grevenbroick, Hezewyc, Dynter etc., simul cum dictis litteris, aliis et iure, promittens super omnia et habenda ratum servare, obligationem et impetitionem ex parte sui deponere, exceptis oneribus, recognitionibus et promissionibus in predictis litteris contentis et per dictum Lambertum inibi factis, quas onera, recognitiones et promissiones pretactas dictus dominus Cornelius exnunc deinceps dabit, solvet et adimplebit, dareque et solvere ac adimplere tenebitur sic et taliter quod dicto Lamberto ad et supra se et bona sua dampna exinde non eveniant quovismodo in futurum, prout dictus dominus Cornelius hoc palam recognovit et supra omnia et habenda dicto Lamberto repromisit. Testes Grotart et Monix. Datum xviia martii, tercia post Reminiscere.
1.R. 1265, f. 436: Dominus Cornelius de Bergis, dominus temporalis de Zevenbergen, Grevenbroeck etc. promisit ut debitor principalis se daturum et soluturum Henrico Heym annuam et vitalem pensionem quadraginta florenorum --- mediatim Remigii et mediatim Pasche --- de et ex domibus, areis et ortis sibi mutuo adiacentibus eiusdem domini Cornelii, sitis in Buscoducis iuxta cappellam sancti Georgii inter Dyesam ibidem fluentem ex uno et inter hereditatem Bernardi de Eerde ex alio, tendentibus a communi platea ad hereditates dictas die Mortel ---. Datum quarta marcii, sabbato post Oculi.
genoemde Jan van Gelen. Dit stukje erf was 1½ voet (43 cm) breed en lag aan het eind van het erf van Peter van den Hoernic tussen een weg van twee voet (57,4 cm) van Jan van Gelen van Geldrop en het overige erf van Peter van den Hoernic en was even lang als het erf van Peter breed was. Waarschijnlijk diende het stukje ter verbreding van de weg van Jan van Gelen. De bebouwing op het stukje erf mocht echter blijven staan tot de bezitter van het betreffende erf die zou afbreken of totdat zij zou afbranden; daarna mocht de koper het stukje erf tot zich nemen, maar moest daarop een schutting plaatsen, die hij verder op zijn kosten moest onderhouden.1
Het huis en erf waar dit stukje erf toe behoorde werd op 8 augustus 1433 door Rutger Zibben als man van Katelijn dochter van Jan van den Hoernic en door Hendrik Albrechtsz. als man van Marie dochter van Aart van den Perre overgedragen aan Jan Templer, zoon van wijlen Hendrik van den Schoer. Het complex werd omschreven als huis en erf in de steeg van de Huls naar een brug bij het huis van Jan van Steensel wapenkoning, gelegen tussen erf van wijlen Jan van Gelen en tussen erf van Jan Bye, ten cijns gegeven aan wijlen Jan van Gelen door Jan zoon van wijlen Iwan Vleeshouwer, minus een weg aldaar tussen erf van Peter van Wetten en tussen erf van Gerit van Nijnsel, welke weg twee voet breed is was en strekte van het erf van genoemde Jan van Gelen naar een gracht geheten die gemeyn grave, welke weg Jan van Gelen van Peter van Wetten ten cijns had gekregen.2
Vervolgens droeg Jan Templer op 30 september 1444 het huis en erf over aan Laureis Back, zoon van wijlen Gozewijn Knode.3 De uitvoerders van zijn testament transporteerden het goed op 15
1.R. 1180, blz. 484: Petrus vanden Hoernic quandam particulam hereditatis de hereditate quadam Petri de Wetten, nunc spectantes ad predictum Petrum vanden Hoernic, sitam in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto des Coninc brugge versus vicum dictum Huls inter hereditatem Iohannis de Ghelen ex uno et inter hereditatem quondam Iohannis Bye ex alio, que particula hereditas continet ubique unam et dimidiam pedatas in latitudine et que particula hereditatis sita (est)a in extremo seu prostremo fine dicte hereditatis dicti Petri vanden Hoernic inter predictam viam, latitudinem duarum pedatarum continentem, ad Iohannem de Ghelen de Gheldorpe spectantem, ex uno latere et inter residuam hereditatem dicti Petri vanden Hoernic ex alio, et que particula hereditatis continet longitudinem ad latitudinem dicte hereditatis dicti Petri vanden Hoernic, ut dicebat, hereditarie vendidit dicto Iohanni de Gelen ---. Addic..? condicio sequitur, videlicet quod edificia supra dictam particulam hereditatis consistentia permanebunt stare supra dictam particulam hereditatis sicut stant supra eandem usque ad illa tempora? quod huiusmodi frangentur a dicto venditore vel a possessoribus pro tempore dicte hereditatis dicti venditoris seu quod ad illud tempus quod huiusmodi edificia comburentur, quod in hoc eventu dictus emptor huiusmodi particulam hereditatis libere poterit apprehendere et extunc perpetue possidere, sed extunc dictus emptor supra dictam particulam hereditatis contigue iuxta dictum residuum dicte hereditatis dicti venditoris situari faciet unum gelijnt, quod dictus emptor extunc perpetue semper? suis laboribus et expensis in bona dispositione observare tenebitur. Testes Berwout et Sceyvel. Datum supra (= quinta post octavas Petri, Pauli).
 a Dit woord ontbreekt.
1.R. 1203, f. 104 nw.: Rutgerus Zibben, maritus et tutor legitimus ut dicebat Katherine sue uxoris, filie quondam Iohannis vanden Hoernic, atque Henricus Aelbrechs soen, maritus et tutor legitimus ut dicebat Marie sue uxoris, filie quondam Arnoldi vanden Perre, domum quandam et aream sitam in Buscoducis in viculo quodam tendente a vico dicto Huls versus pontem quendam iuxta domum et aream Iohannis de Steensel, regis armorum, situatam inter hereditatem quondam Iohannis de Ghelen ex uno et inter hereditatem Iohannis dicti Bye ex alio, datam ad censum dicto quondam Iohanni de Ghelen a Iohanne filio quondam Ywani Carnificis, prout in litteris, minus tamen de dicta domo et area quadam via sita ibidem inter hereditatem Petri de Wetten ex uno et inter hereditatem quondam Gerardi de Neynsel ex alio, que via predicta continet latitudinem duarum pedatarum et tendit ab hereditate dicti Iohannis de Ghelen ad quoddam fossatum dictum die gemeyn grave, quam viam dictus Iohannes de Ghelen erga dictum Petrum de Wetten ad censum acquisierat, scilicet pro hereditario censu quatuor solidorum monete atque pro censu quatuor solidorum dicte monete, quem dictus Iohannes de Ghelen promisit se daturum et soluturum dicto Petro de Wetten hereditarie nativitatis Domini de et ex via predicta, prout in litteris, et quam domum et aream primodicatm minus via predicta Petrus vanden Hoernic erga Willelmum Sluysman acquisierat, prout in litteris, insuper ultimodictum hereditarium censum quatuor solidorum hereditarie supportavit Iohanni Templer, filio quondam Henrici vanden Schoer ---. Datum octava augusti.
2.R. 1214, f. 212 oud, 222 nw.: Iohannes Tempeleer, filius quondam Henrici vanden Schoer, domum quandam et aream, sitam in Buscoducis in viculo quodam tendente a vico dicto Huls versus pontem quendam iuxta domum et aream Iohannis de Steenssel regis armorum, situatam inter hereditatem quondam Iohannis de Ghelen ex uno et inter hereditatem hereditatem Iohannis die Bye ex alio, minus tamen de premissis quadam via contigue iuxta domum et aream predictam atque quendam censum quatuor solidorum communis pagamenti, quos domum et aream ac censum predictum dictus Iohannes Tempeleer erga Rutgerum Zybben atque Henricum Aelbrechs soen acquisierat, prout in litteris, hereditarie
december 1445 aan de stadssecretaris Lambrecht (van Doorn), die het twee dagen later overdroeg aan Laureis’ weduwe Liesbet.1 De nieuwe echtgenoot van de weduwe, Roelof Klaasz. Coel van (of: de) Dorre, transporteerde het op 2 december 1447 aan Dirk Willemsz. de Visser2 en deze op 5 juli 1468 aan Gijsbrecht Gijsbrechtsz. de Kok, die inmiddels bezitter van het oostelijk naastgelegen perceel was. Er is een voorwaarde aan de akte toegevoegd die niet geheel leesbaar is, maar die waarschijnlijk inhield dat Gijsbrecht de Kok aan Dirk de Visser en zijn vrouw 10½ Rijnsgulden moest betalen wanneer de toiletten over de gracht van Dirk en andere buren aldaar tijdens het leven van Dirk en zijn vrouw zouden moeten worden afgebroken.3 Hiermee was dit huis toegevoegd aan het complex waaruit later het Hof van Zevenbergen zou bestaan.

Bezitters:
Jan Iwan Vleeshouwer
Jan van Gelen
Peter van Wetten?
Willem Sluysman >
Peter van den Hoernic
Jan van den Hoernic?
zijn dochter Katelijn, gehuwd met Rutger Zibben, en Marie Aartsdr. van den Perre, gehuwd met Hendrik Albrechtsz. 1433.08.08 >
Jan Templer, zoon van wijlen Hendrik van den Schoer >
Laureis Back vleeshouwer, zoon van Gozewijn Knode
de uitvoerders van zijn testament 1445.12.15 >
Liesbet weduwe Laureis Back, hertrouwt Roelof Klaasz. Coel van Dorre, 1447.12.02 >
Dirk Willemsz. de Visser 1468.07.05 >
Gijsbrecht Gijsbrechtsz. de Kok
zijn zuster Liesbet, gehuwd met Gozewijn Heym
hun zonen Jan en Hendrik Heym
Pagant de Lavalle >
Lambert Millinck 1503.03.17 >
Cornelis van Bergen, heer van Zevenbergen
 supportavit Laurencio Back carnifici, filio quondam Goeswini Cnode ---. Testes, datum supra (= ultima septembris).
1.R. 1216, f. 19v.: Rodolphus Scilder, Iohannes de Vaerlaer, Iohannes Neve, Ghiselbertus Becker et Henricus die Wise tamquam executores testamenti quondam Laurencii Back, potentes ad infrascripta vigore dicti testamenti ut dicebant, domum quandam et aream sitam in Buscoducis in viculo quodam tendente a vico dicto Huls versus pontem quendam iuxta domum et aream Iohannis de Steenssel, regis armorum, situatarum inter hereditatem Iohannis de Ghele ex uno et inter hereditatem Iohannis die Bye ex uno, minus tamen de premissis quadam via sita contigue iuxta domum et aream predictam, atque quendam censum quatuor solidorum communis pagamenti, quos domum, aream et censum predictos Laurentius Back carnifex, filius quondam Goeswini Cnode, erga Iohannem Templer, filii quondam Henrici vanden Schoer, acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit michi Lamberto ---. Datum xv decembris. Dictus Lambertus premissa hereditarie supportavit Elisabeth relicte quondam Laurencii Back predicti ---. Datum xvii decembris.
2.R. 1218, f. 33.
3.R. 1237, f. 44: Theodericus die Vysscher, filius quondam Willelmi, domum quandam et aream sitam in Buscoducis in viculo quodam tendentem a vico dicto Huls versus pontem iuxta domum et aream Iohannis de Steenssel, regis armorum, situatam inter hereditatem quondam Iohannis de Ghele ex uno et inter hereditatem Iohannis die Bye ex alio, minus tamen de premissis quandam viam sitam contigue iuxta domum et aream predictam, atque quendam censum quatuor solidorum communis pagamenti, quos domum, aream et censum predictos dictus Theodericus die Vysscher erga Rodolphum filium quondam Nycolai Coel die Dorre, maritum et tutorem legitimum Elisabeth sue uxoris, relicte quondam Laurencii Back, acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Ghiselberto die Kock, filio quondam Ghiselberti die Kock ---, tali (condicione)a annexa, in casu quo durante vita dicti Theoderici Vysscher et Elisabeth sue uxoris amborum et alias? non via iuris aut causa commodietatis? inveneret quod cloace dicti Theoderici die Vysscher et aliorum hominorum et vicinorum cloacas supra quendam fossatum ibidem consistens stantes habentium annulare ac deponere deberent, quod extunc in eodem casu dictus Ghiselbertus dabit et solvet ac dare et solvere tenebitur dictis Theoderico die Vysscher et Elisabeth eius uxori si vixerint aut alter eorum vixerit decem et dimidium aureos florenos, overlens Rijnsch gulden communiter vocatos ---. Datum quinta iulii.
 a Dit woord ontbreekt.
In een schepenakte van 6 augustus 1598 werd het gehele Hof van Zevenbergen omschreven als
een huys, ledige erffenisse, poorte met twee voorhuysen bijde straet staende, putte, stallinge, eenen grooten hoff ende noch een poorte bijde gemeyn straet, hoff, huys met een middelpoort, ledige erffenisse, eenen anderen hoff, een achterpoorte, eenen beempt inden Mortel, gestaen ende gelegen binnen der stadt van sHertogenbosche, genoempt de huysinge van Sevenberghen bijde Lombartsche brugge tussen erffenisse Elizabeth naegelaten zaliger Everarts vanden Water ende haerder dochter metter eenre zijde ende tussen het gemeyn water ende een straet genoempt de Mortel ter? andere zijden, streckende vande gemeyn straet achterwairts tot aende erffenisse Maeykens naegelaeten weduwe zaliger Bartolomeeus Hornkens ende meer anderen, tzamentlyck vuyte geheele grave den Mortel geheten.1
In 1593 werd het complex gesplitst in drie delen. van west naar oost:
In 1594 vond er een overeenkomst tussen de die eigenaren plaats, die een nadere omschrijving bood van de toenmalige situatie. Het geheel werd toen omschreven als
huysingen genoempt tHoff van Sevenberghen, gestaen binnen deser stadt tegen over des Keysers Hoff over het Lombarts bruxken mitten bleyckbeempt daer achter aen liggende.
De overeenkomst luidde:
inden iersten dat het dwers groot lanckhuys, comende inde ierste portie ende Wouteren van Kessel inden naeme zijnder voirs. huysvrouwe te deel gevallen, sall strecken achterwaerts totter hegge vande bleyckbeempt, schietende opten gevel vanden middelhuys ende niet vorder vuytwaerts, welcke hegge den voirs. Wouteren geheel zall toebehoiren, die deselve ten ewigen dagen zall moeten onderhouden ofte inde plaetsche vander zelver hegge moigen leggen tzijnen eughen coste ende als voir onderhouden eene heymeure! hooch wesende acht voeten, zonder dat deselve daer deur enich licht inden beempt zall moighen sceppen; item dat de meure vanden zijdelhuyse voir aende straet daer inne de mechden Van Gerwen zijn wonende, comende opte plaetsche vanden middelhuyse, der voirs. Elizabeth Oliviers te deel gevallen zijnde, nu ende ten ewigen dagen zall wesen halff voirden voirs. Wouteren van Kessel als oick prop(rietaris) vanden zelven voirhuyse ende halff voir der voirs. Elizabeth, om dair inne te moigen timmeren ende anckeren nae haire beliefte; des zall deselve zijdelmeure oick ten gemeynen coste moeten wordden onderhouden ende gerepareert; gelyck oick het heymuerken! achter tvoirs. voirhuys staende, streckende tot bijnae aenden gevel vanden middelhuys, zal wesen alleenlyck tot behoeff ende eyghen des voirs. Wouters van Kessel. Sall daerenboven die voirs. Wouter van Kessel als proprietaris vanden dwersschen huyse ende voirhuyse voirs. ten ewigen dagen moeten onderhouden den privaetkelder liggende opten erve vande middelhuyse, de voirs. Elizabeth competerende, ende den zelven doir tvoirs. voirhuys moeten doen reynigen ende veghen; ende oft gebuerden den zelven geraeckten inne te vallen ofte ruyneus wordden, zoo zall de voirs. Wouter ende zijne naecoemelingen, proprietarissen vanden voirs. voirhuyse, den zelven privaetkelder schuldich wesen tzijnen coste wederomme op te maecken ende te repareren binnen den tijt van twee maenden, ofte zall de voirs. Elizabeth, proprietaris vanden middelhuyse, bij faulte van dyen den zelven kelder moegen doen vullen; item dat inden hoff achter den voirs. dwersschen huyse langs den erve vanden middelhuyse ten gemeynen coste, zoo vanden proprietaris vanden dwersschen huyse als vanden middelhuyse, ten versuecke banden eenen van hen beyden zall
1.R. 1409, f. 73v.-74. Zie ook Van Sasse van Ysselt, Voorname huizen en gebouwen II, 28-29.
2.Ald., 29.
3.Ald., 40.
wordden gelecht ende ten ewigen dage onderhouden eene heymeure, hooch thien voeten, beginnende aen tpoirtken vanden voirhuyse voirs. ende eyndende achterwaerts gelijcx den gevel vanden middelhuys ende haige vanden bleykbeempt voirs.; welcke heymeure zall wordden gestelt vijff voeten vanden muere des middelhuys inden hoff vanden voirs. dwersschen huyse. Is alnoch geconditioneertb dat de heymeure staende tusschen den erve vanden voirs. middelhuyse ende den erve vanden huyse naest de Diese, den voirs. Willemen Oliviers te deel gevallen zijnde, beginnende voir vande straete tot aenden gevel vanden huyse Willems voirs., geheelyck zall behoiren totten erve der voirs. Elizabeth zijnder zustere als proprietaresse vanden middelhuys, om daer op te moigen timmeren nae haere geriefte, behoudelyck oft deselve daerop timmerden, dat zij dwater vanden dacke zall moeten leyden mit een guete voir op de straete ofte achterwaerts opten erve vanden middelhuys, ende en zall oick egheen licht moeghen sceppen aende zijde vanden erve naest de Diese; item het heymuerken tusschen den huyse naest de Diese ende den middelhuyse voirs., beginnende voir aenden gevel vanden huyse naest de Diese achterwaerts tot aenden beempt mit eenen gevel dienende tot distinctie vanden achterhuys zall nu ende ten ewigen dagen wesen ende onderhouden wordden halff bijden voirs. Willemen Oliviers ende halff bijder voirn. Elizabeth zijne sustere; ende het zijdelduerken tusschen beyde inde voirs. heymeure staende zall binnen twee maenden ten gemeynen coste moeten toegemest wordden ten versuecke vanden eenen ofte anderen. Sall oick de voirs. Elizabeth, proprietaresse vanden middelhuys allen het water vande plaetsche desselffs huys (doorgehaald: moeghen) moeten leyden mit een geule doir den hoff vande huyse naest de Diese tot inder Diese toe, welcke geule deselve tot haere coste gehouden zal wesen te doen maecken ende onderhouden nae den behoirlycken eysch binnen den tijt van vier maenden nae date vande voirs. deylinge. Sijnde alnoch geprecaveert dat de voirn. Willem Oliviers als proprietaris vanden huyse naest de Diese de deure vuytgaende inden beempt zall moeten bemetsen ende de meure te dwers? gaende over den put zall dezelve moeten doen opmetsen linie? recht uut aende muere vande Diese; ende de put staende tusschen desen erve voirs. ende den bleyckbeempt zall wordden gebruyckt iegelyck aen zijn zijde, zoo den zelven tegenwordich wordt gebruyckt ende metter meure gedistingueert is, welcke put iegelyck aen zijne zijde zall moeten onderhouden zoo ende inne zulcker vueghen dat d’eene doir gebreck des anders egheenen schade overcome in enniger maniere. Noch en zall deselve Oliviers in zijn achterhuys egheen licht moigen scheppen inden beempt leegher dan acht voeten boven d’eerde ende egheen guet stellen oft waterloepen moegen in den beempt stellen, noch oick tselve achterhuys vorder inden beempt vuyttimmeren dan tselve tegenwordich daer is staende; ende zall oick deselve Oliviers egheen watertrap inder Diese moeghen leggen dan twintich hamervoet vanden voirs. put inwairts. Item de voirs. Elizabeth als oick proprietaresse vanden bleykbeempt voirs. zall ten versuecke des voirs. Willems Oliviers, haers broeders, als proprietaris vanden huyse naest de Diese ende attinentien van dyen moeten ruymen ende affbreken alsulcken privaet ofte secreet als tegenwordich is staende opten beempt achter het achterhuysken des voirs. Oliviers, sonder dat hij oick tegens den gevel vanden zelven achterhuyse verckenscoyen ofte andere stallingen zall moigen doen stellen in enniger manieren, ende zall daer toe allen het water vanden put ende anderssins vanden beempt comende over den zelven beempt moeten leyden tot inder Diesen toe ende moeten toestoppen het gat tegenwordich staende naest den put ende lopende opten erve Willems Oliviers voirs.1

Enkele conclusies

De grote tuin de Mortel was in de veertiende eeuw in het bezit van enkele families die tot het melioraat van de stad behoorden: Rover, Van Hellu en Van Oyen. Herman Winriksz. van Oyen droeg als man van Margriet dochter van Jan van Hellu na 1361 onder meer deze tuin samen over aan Aart van Beek, zoon van Aart van Beek priester. De tuin, die omgracht was, behoorde hoogstwaarschijnlijk tot het achterterrein van een perceel bij de overgang van de Waterstraat en de Keizerstraat. Daar stond naar achteren op dit perceel een huis, waartoe ook een hooiberg behoorde, mogelijk ter plaatse van de latere synagoge ofwel op de plaats van het huis De Oude Munt. Het is dus
1.R. 1407, f. 512-515v.
niet onaannemelijk dat het in oorsprong om een boerderij is gegaan. Vanuit dit perceel is, op zijn laatst in het begin van de vijftiende eeuw, de straat De Mortel, ook wel het Mortelstraatje genoemd, aangelegd. Hierdoor werd de grote tuin in tweeën gedeeld. Het oostelijk deel kwam door erfdeling van de goederen van Aart Aartsz. van Beek in het bezit van zijn dochter Luitgard van Beek, het westelijk in handen van haar zwager Aart Ingramsz. van Deurne goudsmid, gehuwd met haar zuster Heilwig. Aan weerszijden kwam aan de noordzijde van deze straat enige bebouwing tot stand. Het deel van de grote tuin ten oosten van de straat De Mortel werd in 1486 ook nog in een noordelijk en zuidelijk deel gesplitst. Het noordelijke bleef in het bezit van het begardenklooster; het zuidelijke kwam in handen van de stad, die het bestemde tot het plaatsen van lakenramen.
Van het westelijk deel van de tuin werden in de loop van de vijftiende eeuw door erfdeling en verkoop nog verschillende kleinere stukken afgesplitst, maar aan het eind van de vijftiende eeuw en het begin van de zestiende eeuw heeft Cornelis van Bergen, heer van Zevenbergen, hier weer delen van verworven om ze vervolgens toe te voegen aan zijn wooncomplex in de Keizerstraat, dat later bekend zou staan onder de naam Hof van Zevenbergen.

Martin W.J. De Bruijn, Utrecht maart 2006